Terug

Eckhard

 

Gerard Leferink  (interview 23 mei 2024)

 

Inhoud

Café Hotel Leferink in Reutum

Als dienstplichtig militair Nieuw-Guinea

Terug in Reutum

 

 

Café Hotel Leferink in Reutum

 

Gerard Leferink, bijnaam Eckhard 

Als peuter werd Gerard uiteraard aangesproken als Gerard. Op zijn Twents zal het meer geklonken hebben als Gérad, dus geen langzame Geerard maar een korte krachtige Gé-rad. Gé-rad en Eckhard liggen in het gehoor van een kind niet zo ver uit elkaar. Gerard liep als kind dan ook de hele dag Eckhard te roepen als hij het over zichzelf had. Vandaar de bijnaam Eckhard en zo kent iedereen hem ook.

Ik ontmoette Gerard Leferink voor het eerst op Hemelvaartsdag 2024, op de hoek van de Kerkstraat en de Ikinkweg in Reutum.

Gerard komt mij tegemoet lopen, ondersteund door een wandelstok. Contact leggen met Gerard is eenvoudig; hij heeft een open en uitnodigende uitstraling. Een lach of glimlach is nooit ver weg. Ondanks zijn respectabele leeftijd van 82 jaar spreekt hij vloeiend en snel.

Naarmate ik Gerard beter leer kennen en zijn verhalen tot me laat doordringen, valt me zijn onverstoorbaarheid op. Hij neemt het leven zoals het komt, ook al geeft hij zelf aan onrustig van binnen te zijn.

Hij vertelt al snel dat hij een kind van café Leferink is en dat hij als dienstplichtige is uitgezonden naar Nieuw-Guinea. Een mooie aanleiding om hem uit te nodigen voor een interview.

 

Gezin Leferink.

Gerards vader was G.H.J. Leferink, geboren 1912 in Reutum. Moeder Truus Mollink is geboren (1920) in Tilligte. Vader is overleden in 1984, moeder overleed jaren later in 2005. Het gezin had 11 kinderen, waarvan er één, 'Fransje' al vroeg is overleden. Gerard werd op 25 februari 1942 geboren in Reutum in het café van zijn ouders. Café Pension Leferink tegenover de kerk.

 

links op de foto Cafe Leferink. De vorige kerk stond toen nog een kwartsslag gedraaid, wat hier de zijkant is, is nu de ingang.

 

Gerard is getrouwd met Sinie Stege uit Rossum. Ze waren bijna 50 jaar getrouwd toen Sinie overleed na een ziekbed van acht jaar. Gerard is nu twee en een half jaar weduwe (2024).

Dochter Kim woont in Oldenzaal, is getrouwd en heeft 3 kinderen. Gerard is na het overlijden van zijn vrouw niet achter de geraniums gaan zitten. 

Gerard: “We waren met elf kinderen, ik was een jaar of tien, elf, toen Fransje stierf, dat kan ik me nog goed herinneren. Later kwam er weer een Fransje, die woont ook in Reutum.

Ik heb altijd in Reutum gewoond, op deze plek woon ik nu 52 jaar. Dit huis is in 1971 gebouwd”.

 

 

 

 

Gerard woont ook nu aan de Kerkstraat met zicht op de kerk, slechts een paar huizen verder dan waar hij geboren is. Gerard verteld verder: “Alles tussen het café (nu appartementen) en dit huis, inclusief dit huis, was weiland. De weg was een klinkersstraatje. Café Hotel Leferink was van mijn ouders, daar ben ik geboren.

 

 

Gerard heeft een prachtig schilderij van het café aan de muur hangen. Voor het café stond een lindeboom. Het café is afgebrand, de boerderij zat aan de achterzijde. Het schilderij is geschilderd (1981) door van de Brink die ook in Reutum woonde.

 

Café

Van het café zelf kan Gerard zich niet veel meer herinneren. Gerard: "We hadden wel een pension. Met motorracen sliepen hier ook altijd een stuk of drie klanten. Het café werd vooral bezocht door plaatselijke bevolking. In Reutum had je meerdere cafés: Café De Molenberg, Café Mensink, Leferink, Café Morskieft, Café Snijders aan het kanaal, Café Kleijzen bij de molen, dat is nu Antje en Billy, Café Holswik, Café Deterink. Sommige cafés hadden er een kleine boerderij bij zoals wij. Daarnaast werkte mijn vader nog bij ‘De Jong en van Dam’ kousenfabriek in Hengelo".1

Gerard: ‘Van de oorlogsjaren kan ik me nog herinneren dat er bij ons in het café overal soldaten lagen, ook onder het biljart. Ze lagen door de hele zaal. Die sliepen daar. Ik liep er gewoon tussendoor.’ ‘Het hoofd van de Duitsers kwam regelmatig eten in het café.’

"Ik weet nog dat tijdens de bevrijding de Engelsen allemaal over de grote weg naar Duitsland reden. Ze kregen dan eieren - Eggs riepen ze, Eggs! - Wij stonden allemaal langs de weg, heel Reutum was uitgelopen. Er zaten allemaal gaten in de weg naar Ootmarsum, daar parkeerden de Engelsen de tanks in, achterwaarts".

Gerard: "Het café had een biljart, tap, tafels en stoelen. De boerderij had een ‘deel’, het voorste gedeelte van deze deel was het café. Naast het cafégedeelte zat nog een kruidenierswinkel. Op het schilderij zie je 5 ramen, de drie ramen links zijn het café, de twee ramen rechts, de kruidenierswinkel". 

"De kruidenierszaak was ook van ons. Na de brand was het nog even een café. De tafeltjes en stoeltjes op het schilderij kloppen met de werkelijkheid. Naast het huis was een gang, daarnaast woonden Meijer (meijersjans) en Sam.

Mijn vader en moeder runden samen het café, maar vader ging ook nog gewoon uit werken. Je moet je niet voorstellen dat het café ieder moment bemant was, zo was het niet. Zoals gezegd zat achter het café een boerderij. Mijn ouders hadden twee of drie koeien. Verder hadden we een paar stukken grond. We hadden dus een boerderij, een café, een kruidenierszaak en ze gingen ook nog heen venten! Met paard en wagen. Dan namen ze alles mee vanuit hun kruidenierswinkel".

Ik vraag Gerard naar de concurrentie met zoveel cafés in een dorp. 

"We waren natuurlijk wel concurrenten. Zeker met café Bays. Bays zat natuurlijk vlak bij ons aan het kerkplein. Bij café Bays zat ook de Rabobank. De zoon van Harrie Mensink runde de Rabobank. Theo Bays is een broer van Harrie". Gerard: “ik weet wel dat we concurrenten waren. Toen ons café afgebrand was (1952) en de kerk gesloopt werd, hebben ze bij Bays uitgebreid. De kerk kon toen gebruikenmaken van de zaal bij Bays, voor kerkdiensten. Dat werkte natuurlijk in het voordeel van Bays”.

Het voetbalveld zat vroeger waar nu de garage is aan de Ootmarsumseweg. Deterink was het voetbalcafé. Het café stond aan de overkant van de Ootmarsumseweg. Het huis waar nu Maathuis Braakhuis in woont. Er stond ook nog een benzinepomp bij. Later werd café Holsink het voetbalcafé. Café Holsink zat in het grote vierkante huis dat aan de rotonde staat.

 

 

 

Ziekte

Gerard: ”Rond mijn tiende jaar werd ik erg ziek. Ik had acute reumatische symptomen ook wel St.-Vitusdans genoemd. Ik was verlamd; ik kon geen kopje vasthouden. Ik heb acht weken in het ziekenhuis in Almelo gelegen. Ik moest veel rusten. Gordijnen dicht, kamer donker. Toen de nieuwe kerk werd gebouwd, sliep ik boven het café en heb vanuit het raam de hele bouw kunnen volgen. (1952)"

Vanuit zijn huidige woning wijst Gerard naar de overkant alsof hij weer in bed ligt boven het café en zegt: “Daar was het St. Jozefgebouw, er werd toneel gespeeld en er zat een kleuterschool in. Daarnaast stond de oude school. Daarna is het nog een poos 'Sint Janneke' geweest een kleuterschool. Het ziekteverhaal heeft me een jaar gekost. Ik heb er daarna nooit meer last van gehad."

 

 

De Brand (Twentsch Dagblad Tubantie 23 mei 1952)

ZWARE BRAND IN REUTUM Hotel Leferink een prooi der vlammen.

Een zware brand heeft vanmorgen het hotel, café, winkel en woonhuis van de heer G. Leferink, tegenover de R.K. kerkte Reutum (gemeente Tubbergen) vernield. Op het nippertje konden drie van de zeven kinderen, die boven sliepen worden gered. Waarschijnlijk is de brand ontstaan bij de schoorsteen. Nog gisteravond had de heer Leferink de kachel aangemaakt. Het vermoeden bestaat, dat als gevolg van een lek in de schoorsteen het vuur is ontstaan. Een deel van de inboedel kon worden gered.

Vanmorgen tegen zes uur was de heer Leferink op weg naar de weide om de koeien te melken. Toevalligerwijs keek hij achterom en zag tot zijn schrik rook uit het dak komen. Onmiddellijk snelde hij naar de boerderij. Toen hij op de deel was, constateerde hij een intense rookontwikkeling, terwijl de drie kinderen, die ook boven lagen, blijkbaar ook het onraad hadden bemerkt. Zij lagen nog te bed doch aan hun angstig geschreeuw kon men horen, dat zij bang waren geworden door het geknetter en de rookontwikkeling. De heer Leferink ging onmiddellijk naar de slaapkamers van de kinderen en slaagde er in hen heelhuids naar beneden te brengen. Inmiddels waren ook de andere bewoners, de vrouw des huizes, en een grootvader in veiligheid gesteld hetgeen gelukkigerwijs ook met de andere vier kinderen, die beneden sliepen, het geval was.

Het hooi, dat zich op de zolder bevond, was nog slechts enkele dagen geleden binnengebracht en brandde niet fel. Het smeulde eerder, vandaar de grote rookontwikkeling. Nauwelijks waren de bewoners buitenshuis of de vlammen sloegen snel om zich heen en het duurde maar even of het gehele achterhuis stond in lichte laaie. Het was een gelukkige omstandigheid, dat de wind uit het Noorden kwam, anders zou het belendende pand stellig gevaar hebben gelopen.

De vrijwillige brandweer uit Tubbergen was na ongeveer een half uur ter plaatse, doch zij kon tegen de vuurzee weinig uitrichten. Het achterhuis ging volkomen in vlammen op. Weliswaar kon de café zaal worden gespaard, maar deze leed zeer ernstige waterschade. Het ongeluk wilde bovendien, dat de zware schoorsteen in de winkel viel, welke vrijwel onbeschadigd was gebleven. Ook hier werd zeer veel vernield.

Het is niet opportuun om te zeggen dat deze brand wel eens het einde van café Leferink heeft ingeleid.

 

Twentsch Dagblad Tubantia 23 mei 1952

 

Gerard: “Het café is herbouwd en heeft daarna nog een paar jaar gedraaid. Later zat achter het café Blom uit Enschede, textiel, met 20 werknemers. Toen bestond het café al niet meer.

Het eerste huis in deze rij aan de Kerkstraat is door mijn vader gebouwd. Na de verkoop van het café zijn we hier gaan wonen dat moet rond 1956 geweest zijn.

 

 

 

Nieuw-Guinea

 

Gerard: "In 1962 moest ik in dienst. Ik werd opgeroepen voor uitzending naar Nieuw-Guinea. Wij werden gelegerd in Zuidlaren. In Assen kregen we onze vaccinaties, o.a. tegen malaria. Drie weken later vertrokken we. Er werd niet gevraagd of je uitgezonden wilde worden; je moest gewoon gaan. Na de vaccinaties in Assen hadden we twee weken inschepingsverlof om de boel te regelen. Daarna een week in Ermelo voor oefeningen en toen op de boot naar Nieuw-Guinea. We werden 's nachts in vrachtwagens geladen. Er waren protesten tegen deze uitzending; actievoerders staken de weg in brand, maar de vrachtwagens reden er dwars doorheen.

Mijn ouders kwamen tijdens onze legering in Ermelo een keer met de auto op bezoek. Ze hadden voor mij sokken bij zich. Helaas mochten ze de kazerne niet in; de sokken moesten ze door het hekwerk aan mij overhandigen. Ik heb de leiding hier nog wel op aangesproken, maar dat mocht niet baten.” Gerard vertelt het nu met een glimlach: "Die mensen, mijn ouders, komen helemaal uit Reutum rijden om mij sokken te brengen, dan kan er toch wel een kop koffie af!"

Wat vond je er zelf van dat je geen inspraak had, dat je zomaar naar Nieuw-Guinea gestuurd werd?

Gerard: "Je had geen keus, ik heb me nooit verveeld, heimwee ken ik niet. Ik was vooral benieuwd hoe het allemaal was daar in Nieuw-Guinea. We werden ingescheept in de S.S. Waterman, een kolossaal troepenschip."

 

Namenregister van Twentse Oud-Indië- en Nw. Guineagangers.

Boek Tahoen, jang Soedah loepa, de vergeten jaren. Twentse jongens in Nederlands-Oostindië en Nieuw-Guinea 1942-1962 door P.F. Berends. 2

 

De Heenreis

Op vrijdag 4 mei 1962 begon de ‘Waterman’ weer aan een reis naar Nieuw-Guinea. Aan boord waren delen van de 17e en 41e infanteriebataljons met detachementen van de 7e, 928e en de 940e Afd. Lua. De inscheping vond plaats aan de Harwichkade in Hoek van Holland, en dat had weer alles te maken met demonstraties of incidenten gericht tegen troepenzendingen.

Via Willemstad op Curacao op 15 mei 1962 ging het via het Panamakanaal naar Pearl Harbor in Hawaï. Op 11 juni 1962 werd de haven van Hollandia op Nieuw-Guinea bereikt. Met KPM-schepen reisde het 41e bataljon door naar Kaimana en Fak-Fak.

Gerard vertelt verder: "We kwamen aan in ‘Hollandia’. Vanuit Hollandia werden we verder gevaren naar Kaimana. Daar werden we uiteindelijk gelegerd. Kaimana was een heel klein dorpje in de rimboe. Bij aankomst zagen we een boom, ik vergeet het nooit weer, een boom met alle kleuren, alle kleuren! We zagen paradijsvogels; ik heb ze later nooit weer gezien. We waren met 34 soldaten en 4 sergeanten. We groeven zelf onze schuttersputten, we hadden mortierputten. Ik was opgeleid voor chauffeur maar werd ingedeeld bij de mortierafdeling, want er was daar niets te rijden, er was maar één weg, naar het strand. Er was wel een ‘strip’ waar vliegtuigen konden landen."

Gerard: "We zaten midden in de jungle. De Indonesiërs dropten bij goed weer parachutisten. Wij hebben niet gevochten, wel patrouilles gelopen. We hadden wel contact met de plaatselijke bevolking. Een enkeling sprak Engels. We zwommen in zee, waarbij we de karabijnen altijd binnen handbereik moesten houden. Er bleef altijd één van ons bij de karabijnen, zodat de rest kon gaan zwemmen. Ik heb me nooit bang of onveilig gevoeld in Nieuw-Guinea. Ik had een kameraad ‘Pander’, die is niet mee geweest naar Nieuw-Guinea, die had het been gebroken, dat heeft hij expres gedaan, tenminste dat vermoed ik. Die wou niet mee. Er waren meer treurige gebeurtenissen, iemand heeft zich in de toiletten van kant gemaakt omdat hij niet mee wou de jungle in.

We hadden geen kans om aan de drugs te raken, dat was er niet, ook was er geen drank. Ik begrijp wel waarom soldaten aan de drank en drugs raken. Oorlog is niet niks. En dat waren dan ook nog vaak beroepssoldaten, wij waren geen beroeps. In dat half jaar zijn we niet op verlof geweest. Soms kon je naar de kazerne verderop in het dorp, daar kon je dan een biertje drinken, waar wij lagen was dat onmogelijk. Er was een jongen uit Lattrop, die was ‘wapenpik’. Hij controleerde de wapens, die heb ik een keer opgezocht in de kazerne. Wij waren maar een klein onderdeel van het grotere geheel; ook de mariniers lagen in Kaimana. Kaimana ligt in het gebied dat ze de ‘vogelkop’ noemen."

 

Kaimana, de plek waar Gerard Leferink uiteindelijk gelegerd werd.

 

Een einde aan de oorlog

Gerard: "Op 15 augustus 1962 kwamen er vliegtuigen over die pamfletten dropten met de tekst: 'STAAKT HET VUREN'. Nederland en Indonesië hadden overeenstemming bereikt over een staakt-het-vuren. We zaten in de jungle, zo’n 5 km van de kazerne in Kaimana. Met 35 militairen bezetten we een helling die we moesten verdedigen."

Gerard heeft van die tijd geen fysieke bewijzen meer; de plunjebaal heeft hij teruggeven. Paspoort en soldatenboekje heeft hij niet meer. Gerard: “Nadat ik mijn plunjebaal had ingeleverd zat mijn diensttijd erop. Ik hoefde de resterende vier maanden niet uit te dienen. Normaal moest je twintig maanden in dienst, voor mij werd dit dus zestien maanden. Ik ben nog een paar keer naar een reünie geweest, maar naarmate ik ouder werd, werd de behoefte minder, het contact verwaterde".

Gerard loopt weg om een verslag van de reis te pakken. Hij komt terug met een smoezelig, zo te zien veel gelezen kopie, van een boek getiteld: ‘In een half jaar de wereld rond’ - 41ste infanteriebataljon stoottroepen.

Gerard: "De heenreis bracht ons via tussenstops op Curacao - een tocht door het Panamakanaal - en Hawaï naar Nieuw-Guinea. We konden niet door het Suezkanaal omdat er een oorlog was in die regio. Tijdens de tocht door het Panamakanaal moesten we allemaal burgerkleren of zwembroeken aantrekken. Militaire kleding dragen was verboden tijdens deze doortocht.

De ‘Seven Seas’, een Duitse boot, bracht ons terug naar Nederland. Een grote boot; de terugreis was één grote vakantietocht. We werden in de watten gelegd. Ons vertrek was op 3 oktober 1962. De terugweg kon wel via het Suezkanaal, met een stop bij Djibouti. De tocht door het Suezkanaal maakte de terugreis twee weken korter dan de heenreis. We zijn dus in een half jaar de hele wereld rond gevaren. Op 5 november 1962 waren we weer in Nederland."

 

Uit het boek Tahoen, jang soedah loepa, de vergeten jaren.

Op vrijdag 4 mei 1962 begon de ‘Waterman’ weer een reis naar Nieuw-Guinea. Aan boord waren delen van de 17e, en 41e Infanterie Bataljons met detachementen van de 7e, 928e en de 940e Afd. Lua. De inscheping vond plaats aan de Harwichkade in Hoek van Holland en dat had weer alles te maken met demonstraties of incidenten gericht tegen troepenzendingen. Via Willemstad op Curacao op 15 mei 1962, ging het via het Panamakanaal naar Pearl Harbor in Hawaii. 11 juni 1962 werd de haven van Hollandia op Nieuw-Guinea bereikt. Met KPM-schepen reisde het 41e bataljon door naar Kaimana en Fak-Fak.

 

Aankomst in Nieuw-Guinea 1962. Boek: Afscheid van Nieuw-Guinea

 

Kaimana bosbivak 1962. Boek: Afscheid van Nieuw-Guinea

 

 

Terug in Reutum

En toen kwam je eind 1962 terug in Reutum en toen vond je er niets meer aan, hier in Reutum. Gerard: "Jewa, Jewa, Jowa, tuulk wa".

Gerard: "Ja, maar tis overal ’t zelfde hoor".

Gerard: "Of je nou Reutum hebt of je hebt Albergen, allemaal hetzelfde. Albergen is alleen iets groter".

Ah, nee, maar we hebben het niet over Albergen. We hebben het over, waar je geweest bent: Curacao, Kaimana, Djibouti!

Gerard: "Ik zou helemaal niet naar Curacao willen nu. Nee". 

En toen dan, toen je nog jonger was?

Gerard: "Ik wist niet wat er allemaal loos was, maar er is niets loos! In Djibouti gingen we naar de markt, dat is allemaal vlieg in plaats van vlees! Als ze met het mes door de vliegen sneden, had je het bloed aan het mes zitten. Allemaal vlieg! Oh, oh, oh, nee, echt erg. Nou en daar in Nieuw-Guinea, daar zijn ze allemaal poedelnaakt. Ik heb mijn drie onderbroeken, je had nog van die grote lange onderbroeken in dienst, weggeven aan de vrouwen daar; die bonden het gewoon op. De mensen daar waren kleiner dan wij, zo’n onderbroek kwam tot aan de hals, de split aan de achterkant. Ik heb nog een keer een onderbroek geruild tegen een tros bananen, maar die waren nog groen. Ik moest ze in de grond doen, zeiden ze. Het waren een soort bakbananen. Na een paar dagen in een kuil in de grond waren ze rijp. Die zijn niet zo lekker, nee."

Je hebt al je onderbroeken weggeruild? Gerard: "Ja, nee, niet allemaal, ik had er nogal wat meegenomen."

Even valt er een stilte, een moment van overpeinzing. Gerard: "... Ja... En zo is het ons vergaan."

 

Gerard Leferink met schilderij op achtergrond en Eckhard op de pet. 2024

 

Reutum

"Ik had geen behoefte om elders in de wereld een bestaan op te bouwen. Toen ik weer in Reutum kwam, was ik nog maar twintig jaar oud. Ik werkte bij Boesekool in Almelo, dat vond ik mooi werk. Tevens heb ik nog voor textielmonteur geleerd. Het beroep van bankwerker liet ik achter me en ben de kraan opgegaan. Kraanmachinist, dat vond ik mooier werk. Ik werkte toen in de wegenbouw bij Steynmeijer en Roelofs in Den Ham. Weg- en waterbouw. Later heb ik nog in de uitvoering gewerkt. Ik moest vaak ver reizen, o.a. naar Wijk bij Duurstede. Ik zorgde altijd dat ik 's morgens voor 6 uur bij Deventer was, dan had je geen last van files. Bij Deventer konden we dan de autobaan op. Aan deze kant van Deventer lag er nog geen snelweg. Ik reed iedere dag op en neer. Met een man of drie, vier, vijf.

Ik heb Reutum ook zien veranderen. Vroeger waren de grote bedrijven er nog niet. Aannemersbedrijf Steggink heb ik zien opkomen in de jaren zestig. Eef en Annie Steggink hadden toen de leiding.

Ewald heeft de zaak later overgenomen. Soms komt Ewald me halen en gaan we naar Annie (†2024), die in het verzorgingshuis verblijft. Soms ga ik nog naar een kennis in Weerselo. Ze heeft vroeger bij ons gewerkt in het café. Zij is inmiddels 105 jaar oud. Ze hielp mijn moeder met van alles en nog wat in het café."

En dan zegt Gerard vanuit het niets: "Ik heb een mooi leven gehad, ben er blij mee.

Het is jammer dat mijn vrouw gestorven is, we hadden nog een mooi leven samen kunnen hebben.

Ze leed aan leukemie, al acht jaar lang, maar niet direct levensbedreigend. Helaas kwam toen Corona. De Corona versnelde het leukemieproces. Ze maakte de gang van het ziekenhuis naar huis, weer naar het ziekenhuis en is daar 2,5 jaar geleden overleden (aug 2021)."

Opnieuw valt me de onverstoorbaarheid, de rust en de acceptatie van Gerard op. "Het is goed zo... we hadden allebei de leeftijd, ik had er vrede mee. Het is een verandering voor mij. Nee, ik ben niet eenzaam, ik ga overal naar toe. Met de fiets kan ik nog overal komen. Ik heb veel steun aan mijn dochter".

 

Interview en tekst Jan Bunte

 

Noten

1 De wereld is klein. Vlak bij deze kousenfabriek in Hengelo heb ik een deel van mijn jeugd doorgebracht. We klommen als kinderen, in de jaren zestig, wel eens op de sheddaken om een blik in de fabriek te werpen. (Jan Bunte)

2 Aanvullende informatie heb ik gevonden in het boek: Tahoen, jang Soedah loepa, de vergeten jaren. Twentse jongens in Nederlands-Oostindië en Nieuw-Guinea 1942-1962 door P.F. Berends.

3 Foto's en aanvullende informatie uit het boek: Afscheid van Nieuw-Guinea. Het Nederlands-Indonesische conflict 1950 - 1962. Red. Martin Elands en Alfred Staarman.