Terug

Gerard Lansink. Leven aan het kanaal in Reutum

 

Jeugdherinneringen van Gerard Lansink, ‘De Kemper’.

Leven aan het kanaal in Reutum.

 

 

Gerard Bernard Joseph Lansink, geboren op 19 april 1940 te Reutum. Nu (2024) 84 jaar oud en woonachtig in Oldenzaal samen met zijn vrouw Maria Gerharda Antonia Engelbertink (geboren op 6 augustus 1943 te Oldenzaal) wie hij in 1965 trouwde. Gerard heeft vanaf zijn geboorte tot in 1958 in het brugwachtershuisje aan het Kanaal Almelo-Nordhorn in Reutum gewoond. Zijn vader, Gerardus Johannes Lansink (* 27-01-1913 - †21-04-2000), was timmerman en stond in Reutum bekend onder de naam ‘Dikk’n Lansink’. Zijn moeder, Hermina Maria Wolbers (* 20-08-1915 - †20-05-2005), bestierde de sluis. Dit zijn de verhalen uit de jeugdherinneringen van Gerard van De Kemper.

 

FOTO NR. 1  Vader (Gerardus Johannes Lansink) en moeder (Hermina Maria Wolbers) met de pasgeboren Gerard op de arm.

 

 

Het huisje bij de brug

Het Kanaal Almelo-Nordhorn ligt er hedendaags vredig bij. Heerlijk met de hond een wandeling langs het kanaal of een heerlijk rustgevende fietstocht; het kanaalwater ligt er natuurschoon bij, maar dat was vroeger wel anders. In 1886 is het Kanaal Almelo-Nordhorn in gebruik genomen. In 1912 kende de scheepvaart op het kanaal haar hoogtepunt. Dat nam snel af nadat in 1938 het Twentekanaal gereed kwam. In 1940 werd het Kanaal Almelo-Nordhorn en de dubbele sluis in Reutum de leefomgeving van de pasgeboren Gerard Lansink, woonachtig in het brugwachtershuisje te Reutum.

 

Het ‘huisje bij de brug’ was er een van velen langs het Kanaal Almelo-Nordhorn. Nu helaas niet meer aanwezig. De bouwtekening van deze brugwachtershuisjes dateert uit 1883. Het brugwachtershuisje in Reutum heeft ongeveer gestaan op de plek waar we hedendaags het schuilschuurtje aantreffen. Het brugwachtershuisje kende (ongeveer) vierkante afmetingen met aan de achterzijde een onderschoer. 

 

Op een blauw emaillen plaatje stond het huisnummer “K241”. De voorzijde bevatte een soort uitbouw (erker) met twee grote ramen erin. Aan beide zijkanten van deze uitbouw zat een klein (stal)raam waardoor je langs het kanaal richting Almelo en richting Nordhorn kon kijken. Het dak, belegd met dakpannen, kende aan de zijkant een lage goothoogte. Aan de zijkanten zaten meerdere stalraampjes. Het ‘huisje bij de brug’ in Reutum kende een woonkamer en voorkamer. De voorkamer had twee bedsteden en aangrenzend aan de woonkamer bevonden zich twee slaapkamers.

 

 

FOTO NR. 2  Bouwtekening brugwachterhuisje (1883).

 

Het pand van Fraans Marie geeft nog een deel van deze brugwachtershuisjes bloot. Het enige brugwachtershuisje dat nog langs het Kanaal Almelo-Nordhorn bestaat. De huisjes zijn allen in dezelfde periode gebouwd. Het begon in Almelo en werd vervolgens in de richting van Nordhorn gebouwd. 

 

Elke sluis kende een brugwachtershuisje. De eerste in Tilligte, een tweede in Tilligte (Damhuis), een derde bij de Huneborg (Beijerink), de vierde in Agelo (Burink), de vijfde in Reutum (Lansink), de zesde in Weerselo (Reinders), de zevende in Fleringen (Koopman), de achtste in Albergen (Fraans Marie) en negen nabij de start van de gravenallee (Almelo). Allen aan de noordzijde van het kanaal. Reutum had de dubbele sluis en dat maakt de locatie aan het Kanaal Almelo-Nordhorn uniek. Het was de plek met het grootste waterverval in het kanaal

 

Elk brugwachtershuisje kende ook een soort ‘protocol’. Deze hing in een glazen kast aan de buitenmuur. Op het protocol stonden de handelingen die je moest verrichten bij iemand in nood. Op de foto is deze kast aan de linkerzijde van de voorgevel waar te nemen.

 

FOTO NR. 3  Brugwachtershuisje Sluis V te Reutum.

 

 

Het leven aan het kanaal

Gerard komt uit een groot gezin met 13 kinderen, waarvan ze met 11 in het brugwachtershuisje hebben gewoond. 

 

De opa van Gerard, Johannes Gerardus Lansink (* 24-08-1875 - ? 31-12-1924), is van boer Kemper (nu boer Poppink tussen mechanisatie en loonbedrijf Poppink). 

 

De oma van Gerard, Maria Hendrika Hulskotte (* 08-06-1892 - ? 30-01-1985) is van Hulskotte aan de Agelerweg aan de overzijde. Het gezin van Lansink woonde en leefde aan het Kanaal Almelo-Nordhorn. 

 

Het leven langs het kanaal was niet altijd zonder gevaar; zo is de vader van Gerard op het nippertje van de verdrinkingsdood gered. Om de gevaren zo klein mogelijk te houden was het belangrijk dat de kinderen goed konden zwemmen; dit werd hen dan ook op bijzondere wijze aangeleerd. Gerard en zijn broers en zussen kregen een koetouw om hun middel waarna hun vader hen in het kanaal gooide. Indien iemand kopje onder ging, werd hij/zij aan het koetouw binnengehaald en opnieuw uitgegooid, net zo lang totdat ze zwemmen konden.

 

 

 

FOTO NR. 4  Ophaalbrug Reutum 1977.

 

De familie Lansink was niet de enige die gebruik maakte van het kanaal als zwemschool. Vanaf de dubbele sluis richting Almelo, iets voorbij het brugwachtershuisje, komt een grote duiker het kanaal in. De duiker was afkomstig van het land van Beukers Jens (Johan Deperink). Uit deze duiker kwam schoon water. Veel boerenjongens maakten gebruik van dit schone water en gingen hier zwemmen, vaak in onderbroek. 

 

Op een zekere dag wilde vader Lansink op die plek naar de overkant van het kanaal zwemmen. Gerard kreeg de opdracht om achter zijn vader te blijven, in het geval dat zijn vader kopje onder zou gaan, kon Gerard hem helpen. Eenmaal in het water, zakte hij midden in het kanaal kopje onder. Gerard gaf zijn vader een duw en met veel moeite haalde zijn vader de overkant van het kanaal. “Nu moet je nog terug!”, vertelde Gerard zijn vader. Dat durfde zijn vader niet; hij had zijn les geleerd. De enige optie was om via de zuidzijde van het kanaal terug te lopen naar de sluis. Echter, hij droeg op dat moment een vooroorlogs gênant zwempak dat bovendien te klein was. Gênant of niet, hij liep schaamtevol langs de zuidzijde van het kanaal terug. Een aanblik van een man van 120 kilogram zwetend in een vooroorlogs zwempak moet bijzonder geestig zijn geweest.

 

Tot de inventaris van het ‘huisje bij de brug’ behoorde een polsstok. Aan het einde van deze polsstok zat een bol met een haak. Met die haak kon bij nood iemand uit het water worden gevist, wat ook meermaals is gebeurd door zijn vader. Zo heeft hij een schaatser uit Oldenzaal, die van Denekamp richting Reutum schaatste, gered. Het ijs nabij duikers was beduidend dunner dan op andere plekken waardoor de schaatser uit Oldenzaal tussen de brug in Rossum en Reutum door het ijs zakte. Toch heeft Gerard nooit meegemaakt dat iemand verdronken is in het kanaal.

 

Gerard kon goed met zijn vader. Hij was een leuke vader, al kreeg hij het soms wel op de huid van zijn vader als hij weer eens wat had uitgevreten. Vader Lansink nam Gerard dan onder de arm over de sluis mee naar de zuidzijde van het kanaal en liep met Gerard de stenen trap af. Daar zat in de sluis, een hok met een deur erin. Vader Lansink had daar een sleutel van. Dit hok deed dienst als opslag voor schippers die de grens over gingen en spullen moesten aangeven. Deze spullen werden dan in dit hok opgeslagen. De schippers kregen bewijslast mee voor het afgeven van de spullen. Bij terugkomst uit Duitsland, namen ze de spullen weer mee. Omdat het enkel een opslaghok was, bevatte het hok geen ramen en wat het binnen pikdonker. Gerard werd voor straf dan achter de gesloten deur in het hok gezet voor soms wel een uur. Als oplossing voor de duisternis, heeft Gerard wel eens op voorhand een geweven touw in het hok gelegd met lucifers. Zo kon hij met een stukje touw in een voeg van het opberghokje wat licht in de duisternis brengen.

 

 

FOTO NR. 5  Gerard Lansink (2025) met op de achterzijde de deur van het opslaghok.

 

In de periode dat Gerard aan het kanaal woonde, was het kanaal nog in gebruik. Vader Lansink was timmerman en vaak op stap om bij boeren te klussen. Het was moeder Lansink die de sluis bediende. Schoeven opdraaien en de deuren openen. 

 

Toen Gerard de leeftijd van 6 jaar had, hielp hij zijn moeder spelenderwijs met het openen van de sluizen voor schippers en kanovaarders. De schepen waren bijna altijd turfschepen. Voor het doorlaten van een turfschip kreeg de familie Lansink een kwartje en voor plezierboten een dubbeltje. Kanovaarders gingen voor de sluis het water uit, liepen om de sluis heen om aan de andere kant het water weer te bevaren. De sluis werd alleen voor grote kano’s geopend. Mensen met een grote kano werden ‘geschut’. Dan hoefde de brug niet opgehaald te worden, maar werd enkel één van de twee sluisdeuren geopend. Vanwege het hoogteverschil in water, was moeder Lansink wel even zoet met het doorlaten van een schip. Het kon wel drie kwartier tot een uur in beslag nemen. In de periode dat Gerard daar gewoond heeft, kwamen vooral turfschepen over het kanaal. Deze turfschepen kwamen uit Vriezenveen. Ze gingen via Almelo richting Reutum en verder.

 

Aan de noordzijde van de Agelerweg stond de turfschuur. Deze turfschuur was gemaakt van oude teertonnen. Van de bodems van deze teertonnen werden gevels gemaakt en van de rest van de tonnen werden golfplaten gemaakt die dienden als dakbekleding. Gedurende de oorlog werd een zijde van deze schuur door de Duitse soldaten voorzien van stro en gebruikt als poepplaats. Een emmer met gele grond ging over de ontlasting voor de stank. Deze schuur werd gebruikt als opslag van turf. De vader van Bartels Santje, een kleine gebochelde man, maakte afspraken met de Reutumse boeren over de (ver)koop van turf. Bartels verkocht de turf die in de turfschuur opgeslagen lagen.

 

De familie Lansink kon niet leven van alleen het bedienen van de sluis. Daarom werkte vader Lansink als timmerman. Wel was het wonen voor hun in het ‘huisje bij de brug’ gratis en kregen ze een toelage van Rijkswaterstaat. Er was altijd wat te doen aan het kanaal; zo kwam eens in de tijd meneer van Dijk, leraar aan een lyceum in Almelo, langs. Hij was gescheiden en opnieuw getrouwd en had twee kinderen. Hij ging in vakanties vaak aanleggen in Reutum. Hij had een bootje dat leek op het model van een turfschip, een soort bottertje. Daar had hij een kajuit op gebouwd en daar ging hij dan het kanaal mee op en verbleef hij veertien dagen of zelfs maanden in Reutum. Gerard en broers en zussen speelden dan vaak met de kinderen van meneer van Dijk.

 

 

FOTO NR. 6  Locatie waar voorheen het brugwachtershuisje stond.

 

De oorlog aan het kanaal

Gerard is twee weken voor het uitbreken van de oorlog in Nederland, geboren. De oorlog zit goed in zijn herinneringen. Tijdens de oorlog verbleven verscheidene Duitse soldaten in hun brugwachtershuisje en vorderden het voorhuis. Het aantal aanwezige Duitsers is niet concreet te herleiden, maar een schatting komt al snel op 8 stuks inclusief een ‘Feldwebel’ (sergeant). Zij bezetten de voorkamer, twee aanliggende slaapkamers, de twee bedsteden en het halletje bij de voordeur. De Duitsers zijn er medio 1943 ingetrokken en tot aan het einde van de oorlog gebleven. 

 

De reden voor hun verblijf was het bewaken van de brug en dubbele sluis. Dit waren belangrijke objecten voor vliegtuigen. Om die reden stond nabij de dubbele sluis een luchtafweergeschut. Het betrof een ‘Flugabwehrkanone’ (Flak) welke omgeven was door camouflagenetten. Bij het luchtafweergeschut stond een vlag met daarop de tekst “flugzeugabwehr geschütz”. Het luchtafweergeschut was ingegraven, wat ongetwijfeld een enorme klus moet zijn geweest. Vliegtuigen kwamen ook regelmatig over. Gerard heeft eens een heel eskadron vliegtuigen zien overkomen. Het maakte indruk! Het was alsof een donderwolk overtrok met lawaai van honderden motoren als eentonige sonore muziek.

 

Vader Lansink heeft eens Gerard op zijn arm genomen en naar de hemel gewezen naar een Brits oorlogsvliegtuig. Het vliegtuig had schade opgelopen tijdens een uitgevoerd bombardement in Duitsland. Een inzittende van het vliegtuig hing uit het raam om het beschadigde toestel te repareren. Eén van de Duitsers in het brugwachtershuisje aanschouwde het tafereel en wilde de Brit uit het vliegtuigraam schieten. Vader Lansink sloeg de Duitse soldaat op zijn geweer waardoor de Duitser naliet om een schot te lossen. Moedig, maar niet zonder risico.

 

Het gezin bestond op dat moment uit vier kinderen die samen met hun ouders en circa 9 soldaten in het kleine brugwachtershuisje verbleven. De aanwezigheid van Duitsers in huis voelde voor de familie Lansink niet als een constante bedreiging. De Duitse soldaten in huis, hadden allen in Rusland aan het front gevochten. Zij waren gewond geraakt aan het front en niet meer in staat om volledig te kunnen deelnemen aan de oorlogsvoering. Zij waren gehandicapt en om die reden als wachtpost gestationeerd bij de dubbele sluis in Reutum.

 

Ze ervaarden weinig overlast of gevaar van de Duitse soldaten. Wel zijn er diverse voorvallen uit de jeugdherinneringen van Gerard. Zo liep Gerard met zijn vader en broer Bennie op een oorlogsdag te wandelen nabij de ‘eend’nplas’ in het tipke langs het nu betonnen fietspad richting Kaamp’nnaats. Plotseling verschenen drie Britse Spitfires in het luchtruim en openden het mitrailleurvuur op de mensen die buiten bij Café Snijders stonden te praten. De legen hulzen vielen rinkelend door de takken van de eiken naar beneden. Doden vielen er niet, maar het had wel impact. Direct achter het ‘tipke’ had Lansink met een golfplaat in de sloot van de wal een schuilplaats voor onderduikers gegraven. Onderduikers waren niet vreemd. Zo ook had de oma van Gerard, woonachtig waar nu Groothuis in de hoek van het kanaal woont, tussen de keuken en de slaapkamer een extra muurtje laten metselen. Vanaf de hooizolder had je via een luik toegang tot dit ‘gangetje’. Wanneer de onderduikers plaatsnamen in dit gangetje, werd het luik op de hooizolder dichtgelegt en met hooi afgedekt.

 

Op 29 december 1944 landde direct achter de weide van de oma van Gerard, in de weide van familie Weiden een Britse Spitfire. Na de landing, als gevolg van motorstoring, begaven oom Everhard en buurjongen Herman (Evenboer) zich naar het toestel. Eenmaal aangekomen, kwamen zij in contact met de vliegenier Vilhelm Nicolayson van de Royal Norwegian Air Force. Met handen en voeten maakten Everhard en Herman duidelijk dat iets verderop in een bosje boerderij Oosterik een veilige plek voor hem zou zijn. Gedurende dit gesprek reed er plotseling een Duitse legerauto met hoge snelheid voorbij. Door de snelheid zagen de Duitse inzittenden van de legerauto niet het op nog geen 50 meter afstand gelegen Britse toestel. 

 

In reactie daarop snelden Everhard en Herman hun weg naar huis, pakten hun schaatsen en begonnen aan een schaatstocht in de richting van Denekamp om vervolgens weer terug te keren naar Reutum. Eenmaal thuisgekomen, zaten de Duitse inzittenden van de legerauto bij oma in de keuken op oom Everhard te wachten. Ze hebben hem lang ondervraagd omdat de Duitse soldaten vermoedden dat hij zou weten waar de piloot zich bevond. Everhard vertelde dat hij net terugkwam van een schaatstocht uit Denekamp en bleef bij deze ‘verklaring’. De Duitsers lieten het er uiteindelijk bij, maar niet nadat ze de boerderij en de schuren doorzocht hadden. Bij het verlaten van het erf zag oma de Duitse soldaten weglopen met een gestolen kip onder de arm. “Dat is niet erg, het is toch maar een oude niet leggende kip”. Op een zonnige dag later nam buurjongen Gerard Snijders aan de hand Gerard mee naar het vliegtuig dat nog steeds op het land lag. Het vliegtuig werd bewaakt door één van de Duitse soldaten van ‘huisje bij de brug’. De soldaat pakte Gerard op en zette hem in het stoeltje van het toestel. Met een hendel bewoog de soldaat de stoel op en neer. Voor Gerard een ware vliegsimulatie.

 

 

FOTO NR. 7  Landingsplaats Noorse Spitfire nabij Sluis V.

 

Gedurende de oorlog is hartpatiënt ‘oom Gait’ uit Albergen komen te overlijden. De oom van Gerard was aan het venten terwijl een bombardement op het vliegbasis Twenthe plaatsvond. Het bombardement veroorzaakte bij oom Gait een hartaanval waaraan hij is bezweken op 10 oktober 1943. In die tijd ging geregeld het luchtalarm af. Bij droog weer én zuidenwind kon aan Sluis V in Reutum het luchtalarm gehoord worden. Spelenderwijs ging Gerard naar buiten al rennend rondom de brug en brugwachtershuisje met gespreide armen en joelend als de sirenes in de verte. 

 

Het luchtalarm van vliegbasis Twenthe ging volledig in hun spel op. Aan de brugzijde van het huis in de hoek van de voordeur stond een Duitse soldaat op wacht. Op het moment dat Gerard spelenderwijs dicht bij die hoek kwam, sprong de Duitse soldaat plotseling met zijn geweer in de aanslag tevoorschijn. Gerard was bijna in de bajonet van het geweer gelopen. Terwijl Gerard van de schrik bekomt, schreeuwt de Duitse soldaat dat ze stil moesten zijn omdat de ‘Oberste’ zijn middagslaap hield. Het voorval werd door Gerard aan zijn moeder verteld waarna moeders direct naar de soldaat is gegaan en hem op harde toon heeft verteld dat hij op deze wijze niet met haar kinderen om mocht gaan. Vader Lansink was erg trots op de handelingen van moeders.

 

Aan het einde van de oorlog bezat vader Lansink een klein bakelieten radiootje. Gerard had nog nooit eerder een radio gezien. Hij wist op dat moment ook niet dat het luisteren naar een radio door de Duitsers streng werd verboden. Vader Lansink luisterde stiekem naar de Britse zenders op de radio, om wat nieuws op te vangen over de voortgang in de oorlog. 

 

Het radiootje zat verstopt in een dubbele bodem van de lade van het bureau. Om het radiootje eruit te halen moest in eerste instantie de gehele lade eruit gehaald worden. Op een zekere dag luistert vader Lansink naar een Britse zender op het radiootje terwijl één van de Duitse soldaten binnen komt stappen. Uit reflex gooit hij zijn leren motorjas over het radiootje om het te verbergen. Tot zijn verbazing ging het goed. Het was wel de aanleiding voor hem om het radiootje in te wikkelen in een doek en in de tuin te begraven. Veertien dagen later komt diezelfde Duitse soldaat wederom langs en vraagt vader Lansink: “Hast du die Engländer noch gehört?”. Verbaast van de vraag wordt hem duidelijk dat de Duitser van mening was dat het tijd is dat de Britten komen. Het verlangen naar het einde van de oorlog was ook voor de Duitse soldaten in huize Lansink groot. Na de oorlog is deze Duitse soldaat nog eens op bezoek geweest in het brugwachtershuisje. Nadien is ook vader Lansink bij hem in Duitsland op bezoek geweest.

 

 

FOTO NR. 8 Gerard Lansink (2025) nabij de sluis.

 

Aan het kanaal naderde ook het einde van de oorlog en het begin van de bevrijding. Britse soldaten verschenen op 3 april 1945 aan het kanaal en de Duitse soldaten inclusief de Feldwebel werden opgepakt. De Feldwebel weigerde bij de arrestatie zich over te geven aan de Britse soldaten. Hij sloeg op de vlucht, rennend in de richting van Almelo. Een Britse bevrijder opende het vuur. Niet richtend op de soldaat, maar net achter op de grond. Het opspattende zand vloog de Duitse soldaat tegen de benen en al snel taxeerde de Duitse soldaat zijn hopeloze daad als kansloos in en kwam met omhoog gestoken handen teruglopen en werd vervolgens alsnog door de Britse bevrijders gearresteerd. 

 

De oorlog was voorbij. In de voorkamer van het ‘huisje bij de brug’ bleef een rij geweren in een rek staan met daarvoor een rij ‘handstielgranate’, die leken op conserveerblikken met een handvat. In het keldertje onder de bestede had vader Lansink wat persoonlijke eigendommen van de Duitse soldaten verstopt. Die spullen werden een paar dagen later door de zogenaamde ‘Weerselose Ondergrondsen’ in beslag genomen. Vernomen is dat deze persoonlijke eigendommen later op Het Stift onder de leden is verloot.

 

Op een naoorlogse dag, op de terugweg van de kerk naar huis, vindt vader Lansink in een dennenrij een Duitse mitrailleur met munitie aan. Klaarblijkelijk hadden de Duitsers deze achtergelaten bij het vluchten naar Duitsland. Vader Lansink neemt het wapen inclusief munitie mee naar huis. Op een dag komt Gerard na school thuis en vraagt aan zijn moeder “wat hoor ik toch?”. Het antwoord van haar moeder luidde: “Goa m’r ev’n kiek’n, vader is met dat ding aan de gang.” Eenmaal buiten ziet Gerard zijn vader met de Duitse mitrailleur in de hand allemaal gaten schieten in een wasketel. Naderhand heeft Gerard dat Duitse wapen nooit meer gezien.

 

Na de oorlog heeft Gerard mee mogen doen aan de bevrijdingsoptocht in Reutum. Zijn vader had destijds ergens een fietsje op de kop getikt waarmee Gerard naar school ging. Moeders had een bakkerskorf voor op de fiets en bakkerskostuum met pet gemaakt. Zo was Gerard gereed voor deelname aan de bevrijdingsoptocht. Gerard vond deze bevrijdingsoptocht echter niets. Dat had ook een reden, want voor hem fietste Jan Holsink die een klein vliegtuigje had. Dat vliegtuigje was gemaakt door de oudste broer van Jan, Hennie Holsink (van café Holsink). Gerard vond dat vliegtuigje fantastisch, juist omdat veel oorlogsvliegtuigen over hen heen kwamen gedurende de oorlog.

 

Reutum in die tijd

Het Reutum van toen is niet meer het Reutum van nu. Reutum was in die tijd veel kleiner in omvang, een kerk, een kleuterschool en enkele huizen. Toen Gerard naar school ging, was de school net gebouwd. De peuterklas zat in het parochiehuisje (‘St. Jozefgebouw’), alwaar de nieuwe school tegenover was gebouwd. Aangezien de familie Lansink aan het kanaal woonde, kwamen ze weinig in het dorp Reutum. Veel familie woonde in de direct omgeving; Hulskotte en De Kemper aan de Agelerweg. Café Snijders aan de overkant van de weg, allen familie van Lansink. Een kameraad van Gerard was van molen Kleijsen. De schoolgang bracht Gerard naar Reutum en zodoende leerde hij ook andere mensen uit Reutum en Haarle kennen, zoals Bek Jannie (Groothuis) en Kaamp’n Bets (Bertus Lansink op Kemper). In de begin van zijn schooljaren, tevens oorlogsjaren, fietste Gerard altijd vanuit het kanaal naar de school in het dorp op een kinderfiets.

 

Gerard was niet actief in het verenigingsleven in Reutum. Wel heeft Gerard op een blauwe maandag een wedstrijd gevoetbald (op de voetbalvelden waar nu het tankstation staat). Van zijn familie ‘Snijders’ kreeg hij een paar voetbalschoenen. Gerard werd in de wedstrijd als keeper onder de lat gezet. Na een helft voetballen, hoort Gerard in de rust de woorden: “Het gaat niet zo goed hé?” Nee, was het antwoord van Gerard met een ruststand van 1-24. Gerard had maar liefst 24 doelpunten doorgelaten. Dan maar wisselen en de tweede helft een andere keeper onder de lat. Aan het einde van de wedstrijd was de stand 1-49. Gerard had 24 doelpunten doorgelaten, zijn vervanger 25. De tegenstander was veel te groot voor hun. Als klap op de vuurpijl ziet Gerard bij thuiskomst dat de spijkers waarmee de noppen aan de schoenen bevestigd waren, door de schoenen zijn geschoten met een bloedend voet tot gevolg. Het was de enige en laatste wedstrijd van Gerard.

 

Bijna alle kinderen gingen in Reutum met klompen naar school. Zo ook Gerard. Tot het moment dat zijn vader thuiskwam met schoenen, schoenen met spekzolen voor dochter Ria, zoon Bennie, zoon Theo en voor zoon Gerard zelf. Het was een bijzonder moment omdat ze vanaf nu met schoenen naar school gingen. Apetrots waren ze in huize Lansink. Geld was er nauwelijks, dus het was heel bijzonder dat er ineens schoenen met spekzolen verschenen. Gerard herinnert zich een leuke anekdote; nabij de school was een weiland met schrikdraad. Iemand vroeg wie het draad vast durfde te pakken. Baldadig pakt eerst Gerard het draad vast en voelt weinig tot niets. Na Gerard volgt Bennie, Ria en Theo. Geen van allen lijkt iets te voelen van de stroom. Terwijl Gerard het draad nog vast heeft komt een jongen van Naats (uit Haarle) langs. Gerard pakt hem bij zijn oor met een grote klap stroom door het lijfje van Naats tot gevolg. Het was de spekzool die de Lansinks redden van een klap stroom; zij voelden zich heer en meester in de nieuw verkregen schoenen.

 

FOTO NR. 9  Ouders van Gerard Lansink omstreeks 1939.

 

 

Rijkdom was er niet in die tijd, maar dat gaf niet minder levensvreugde en eten was er voldoende. Bij oma (boer Kemper) kregen ze elke dag een busje melk en bakker ter Beek bracht altijd brood aan de deur. De voorkeur ging niet uit naar roggebrood al kregen ze dat wel eens. Wel was roggebrood erg lekker als het werd doorgebakken in een pan met spek. Huize Lansink had ook varkens. Een varken werd met een mes door de strot geslacht. Daar werd onder meer bloodkook (bloedworst), leaverworst (leverworst) of boerenmetworst van gemaakt. Gerard weet nog dat slachten bij Diekhoes Gait (huidig woonadres van Frans Leferink) op een andere wijze ging. Zij beschikten over een loop van een revolver. Daar kon je aan de achterkant een patroon met een schroefdraad indraaien. Aan het einde van de loop zat een pen. De loop van de revolver zetten ze op de kop van het dier. Met een klein hamertje sloegen ze vervolgens op de pen waardoor het patroon afging en het dier zonder lijden in elkaar zakte.

 

De eerste auto in huize Lansink was een klein Fordje; een klein autootje voor een groot gezin. Om het passend te maken had vaders de achterbank uit de auto gesloopt. Op de spatborden werd een plank gelegd waar de kinderen op konden zitten. Drie met het gezicht naar het stuur en drie met het gezicht naar de achterruit. Moeders zat voorin met twee kinderen op de knie. Zo kon vader Lansink met de auto naar een speeltuin. Vader Lansink kreeg ook een motor loze Mercedes 170 in bezit. Hij wilde daar geld van maken, maar kon zo nog geen koper vinden. Als verkoop van deze Mercedes niet wilde lukken dan moest de auto weg. Vader Lansink kwam er niet van af en daarom moest Gerard zijn vader helpen om de Mercedes te laten verdwijnen. De auto werd over het zandpad van Flinkers en Pouwels naar de Weust gesleept. Tussen de elzen en berken werd de auto in de sompige grond gedrukt. Met een borrelend effect, van het verlaten van de lucht uit het wrak, zakte de Mercedes langzaam maar zeker weg in de sompige Weustgrond. Bij de ruilverkaveling in 1971 is de oude Mercedes weer boven water gekomen.

 

Wat ook boven water is gekomen is de herkomst van de naam van carnavalsvereniging De Pin’n uit Reutum (voorheen Pin’nsnieders). Al geruime tijd was onduidelijk waar deze naam aan refereert. Speculaties waren er wel. Een verhaal gaat dat de eerste carnavalswagen in Reutum (1969) uit riet is opgebouwd en het dat het snijden van het riet aan het kanaal de herkomst van de naam is. Dat blijkt in de herinnering van Gerard anders te zitten. Gerard weet de ware aard van herkomst uit de doeken te doen. Vader Lansink had een nicht die op Molen Kleijssen zat. Het was de gewoonte dat de boeren de rogge lieten malen door de molenaar. Bij windstil gingen de boeren aan de buitenzijde tegen de muur van de molen zitten in het zonnetje. Van eiken hout werden dan houten pinnen gesneden. Deze pinnen werden in gaten in de klompen geslagen en afgezaagd. Hierdoor sleten de klompen minder snel en kon je langer met een paar klompen. De naam Pin’nsnieders komt hier vandaan. Een typische zuinigheidsactie en tegelijkertijd duurzaamheidsactie.

 

Gerard zat in de zevende klas. Zijn vader wilde dat hij naar de ambachtsschool ging, maar daarvoor gold een leeftijdsgrens van 12 jaar en 8 maanden. Dat was Gerard om dat moment nog niet. In de zevende klas moest hij dus zijn ‘tijd uitzitten’ totdat hij de vereiste 12 jaar en 8 maanden had. Het was in die periode dat pastoor van Benthem hem een vraag stelde over het catechismus. Gerard kende het antwoord niet, dat was voor pastoor van Benthem aanleiding om Gerard te straffen. Het was de eerste en enige keer dat de pastoor iemand strafte. Dat uitte zich ook in zijn kerkelijke gedragingen vanaf dat moment. Het was in die tijd gebruikelijk om eens in de zes weken te komen biechten bij de pastoor. Gerard stapte dan op zijn fiets, fietste naar Reutum om vervolgens rondjes voor de kerk te fietsen en zonder te biechten weer huiswaarts te keren. 

 

Bijzonder is vervolgens wel dat Gerard Lansink, samen met de pastor op 19 april 1953, de ‘eerste steen’ heeft gelegd van de nieuwe (huidige) kerk in Reutum. Als timmerman heeft vader Lansink in en rondom Reutum veel gebouwd. Zo ook de boerenschuur van Lansink (De Kemper) aan de Agelerweg. Dit is waar de grootouders van Gerard uit huis komen. De schuur aan de straat is gebouwd door de vader van Gerard. Ook de kerkbanken in de Simon en Judaskerk van Reutum zijn door Jan Lansink gemaakt. Samen met Groothuis uit Harbrinkhoek is de opdracht aangenomen. Met hulp van de kinderen – waaronder Gerard en Bennie – en het kerkbestuur, zijn de kerkbanken gemaakt. De ‘eerste steen’ van de kerk is door Gerard Lansink samen met de pastoor gelegd op Gerard zijn verjaardag, 19 april 1953. Voor het leggen van de eerste steen is een marmeren blok in de pilaar gemaakt. Dit blok is daarmee de herinnering aan het moment van het leggen van de eerste steen.

 

Op de lagere school heeft Gerard zeven klassen gehad. Van zijn vader moest hij naar de ambachtsschool. Hij wilde dat zelf niet, maar in die tijd bepaalde je vader dat en daar werd ook niet moeilijk over gedaan. De rest van de klas (op vier na) gingen allemaal naar de landbouwschool in Tubbergen. Daarom moest Gerard een extra klas doen aangezien hij de leeftijdseis voor de ambachtsschool nog niet had. Eenmaal de leeftijd bereikt, gaat Gerard naar de ambachtsschool in Oldenzaal.

 

Periode na verhuizing uit Reutum

In 1958 is de familie Lansink verhuist naar Oldenzaal. In die tijd had Reutum naar schatting 800 inwoners. Omdat de familie Lansink met 11 kinderen weg ging, daalt het inwonersaantal onder de 800 inwoners. Dat was voor de burgemeester geen fijne aangelegenheid aangezien hij minder betaald kreeg bij een inwonersaantal onder de 800. 

 

In Oldenzaal heeft vader Lansink een pand gebouwd. Gerard heeft bij de bouw veel geholpen. Het werd een meubelwinkel. Deze hebben ze gehad van 1958 tot 1973. Het pand werd te klein en daarom zijn ze naar de binnenstad verhuisd. Daar stond een hotel te koop dat werd gekocht om meer ruimte te hebben. Het pand hebben ze helemaal vertimmerd. Hotelkamers werden verbouwd en opgeknapt en weer verhuurd. Gerard heeft hier in zijn meubelzaak tot 1994 gewerkt. Vervolgens hebben ze hun huidige pand gekocht alwaar ze aangepaste stoelen (maatwerkstoelen) maakten voor zorginstellingen.

 

Gerard heeft goede herinneringen aan Reutum. Het ‘huisje bij de brug’ is omstreeks 1960 gesloopt.

Hij heeft zelfs nog een poging gedaan om, nadat het brugwachtershuisje was gesloopt, een speurtocht te doen naar onderdelen van het huisje. Het enige wat hij van het brugwachtershuisje in bezit heeft, is een stuk dakpan (blauw geglazuurd). Wat verder nog op de locatie is overgebleven, is een dikke eik. Een dikke eik waar voorheen een diepe kuil naast lag waar zij hun afval in dumpten en er vervolgens zand overheen gooiden.

 

 

FOTO NR. 10  De dikke eik, tegenwoordig.

 

Gerard heeft nog contact gelegd met Rijkwaterstaat (1994) om te overleggen of hij dat brugwachtershuisje niet opnieuw mocht opbouwen. Hij wilde graag terug naar ‘zijn plek’ en de sfeer van toen. De reactie van Rijkswaterstaat was helaas negatief en een terugkomst naar ‘een huisje bij de brug’ bleef bij een droom.

Het is ruim 66 jaar geleden dat Gerard Reutum heeft verlaten als zijn woonplaats,, maar zegt: “ik bin nog steeds een Reutummer”.

 

 

FOTO NR. 11 Gerard Lansink (2025) op 84 jarige leeftijd.

 

 

 

FOTO NR. 12  Gerard Lansink (2025) op Sluis V.

 

 

 

Interview Chiel Mensink en Jan Bunte

Tekst Chiel Mensink

januari 2025