Terug

Het A-B-C van Pouwels' Gait

 

Jaren geleden heb ik dit boek al eens in handen gehad en niet al te veel aandacht aan besteed.

Kort geleden kwam ik een ander exemplaar tegen, met krantenknipsels over het ontstaan van het boek, de presentatie van het boek en de schrijver, daarnaast een flyer met aankonding. Zo zie je maar weer, ook een ervaren boekhandelaar/verzamelaar, want zo mag ik me wel noemen na 35 jaar stof en papier happen, kan zich danig vergissen. Deze keer nam ik de tijd om het boekwerk beter te leren kennen. En ik vind het een prachtig boekwerk. Als je interesse hebt voor de Twentse geschiedenis en in het bijzonder in de Reutumse geschiedenis, dan is dit zeker een aanrader en tevens een prachtig naslagwerk.

Jan Bunte

 

Voorzijde boek met tekening van Cornelis Jetses.

 

Auteur G.H. Pouwels

Red. Dick Taat, tekstverwerking Hermine Hesselink, Vormgeving Henk Bos, Omslag C. Jetses.

Uitgegeven door de Stichting Heemkunde van de Parochie Reutum en Haarle in samenwerking met de Vereniging Oudheidkamer Twente.

Het boek is 20,5 x 29 cm groot. De omslag is van C. Jetses.

Uitg. november 1996, 58 blz, geillustreerd

 

Naast de auteur verdient toch ook de toenmalige heemkunde vereniging Reutum/Haarle een groot compliment voor de ondersteuning bij het tot stand komen van dit boek.

Er is veel werk van gemaakt om het boek onder de aandacht te brengen zoals we hierna zullen zien. Diverse kranten besteden aandacht aan de presentatie.

 

v.l.n.r. Hermine Hesselink, Ben Lammerink, G.H. Pouwels, Dick Taat, Henk Bos, Pastor Schoorlemmer.

 

Pouwels-Gait ontvangt eerste exemplaar dialectwoordenboek

REUTUM - In het bijzijn van een groot aantal genodigden en andere belangstellenden werd vorige week woensdagavond in café Teun op 'n Hook te Reutum het boekje "Het A-B-C van Pouwels-Gait" officieel gepresenteerd. De 86-jarige auteur Gerard Pouwel ontving het eerste exemplaar uit handen van pastor E. Schoorlemmer, voorzitter van de Stichting Heemkunde Reutum.

Toen hij zeventig was begon de over een bijzonder goed geheugen beschikkende Pouwel met het opschrijven van de hem bekende woorden, die typisch Reutums dialect zijn. Dat resulteerde uiteindelijk in een in samenwerking met de Stichting Heemkunde Reutum en de Vereniging Oudheidkamer Twente/Van Deinse Instituut tot stand gekomen boek. Naast de Nederlandse vertaling van alle woorden zijn in het boek ook nog de nodige tekst en uitleg en enkele anekdotes vermeld. Het boek, met daarin ook tal van foto's en tekeningen, is voor vijftien gulden te koop bij de Rabobank in Reutum en het Van Deinse Instituut (Elderinkshuis) in Enschede.

 

 

Auteur G. Pouwels uit Reutum krijgt van voorzitter E. Schoorlemmer van de heemkundegroep, in het bijzijn van vele belangstellenden,

het eerste exemplaar van zijn boek `A-B-C van Pouwels Gait'. FOTO ERIK BRINKHORST

v.l.n.r. Hermine Hesselink, Ben Lammerink, G.H. Pouwels, Dick Taat, Henk Bos, Pastor Schoorlemmer.

 

86-jarige Reutumse Gerard Pouwels presenteert dialectenwoordenboek van zijn geboortedorp

Pouwels Gait: `Ik bin d'r bliede met en dat bink'

19 december 1996

REUTUM/HAARLE - De 86-jarige Gerard Pouwels uit Reutum, beter bekend als Pouwels Gait, heeft gisteren in café Teun op 'n hook het eerste exemplaar van zijn boek 'Het A-B-C van Pouwels Gait' ontvangen van voorzitter E. Schoorlemmer van de stichting Heemkunde Reutum. Zestien jaar geleden begon de auteur, toen hij zeventig was, met het opschrijven van alle woorden die typisch Reutums dialect zijn. Dat resulteerde, nadat Heemkunde van Reutum en de Vereniging Oudheidkamer Twente/Van Deinse Instituut opmerkzaam waren gemaakt, in de gisteren verschenen uitgave.

'Alst vrommes ok nog n spilke har: den drejt 't gat de mooi bie in', `De koo a n slat oaver kreggen?' en 'Door vret ze as vasselverkens'.

Het zijn maar een paar van de vele tientallen Reutums-Twentse woorden en uitdrukkingen uit het boek van G. Pouwels, dat gelardeerd is met vele foto's, tekeningen, artikelen en andere wetenswaardigheden over Reutum, Haarle en Zoeke en het originele dialect van eertijds. Wie wil weten wat de betekenis van woorden als agoosie, albanig, brummelbusche, grommelschoer, grumn, gelte,sekpol,klingelzak, scheesnjagen, stalstreier, snoothakken, veklommet, viem en vleie is, kan voortaan het 'ABC van Pouwels Gait' erop naslaan, waar naast de Nederlandse vertaling van het woord ook nog eens een uitgebreide uitleg over het ontstaan en enkele anekdotes worden vermeld.

Gesteund door een ijzeren geheugen vertelt Pouwels in zijn boek zijn verhalen, die bewerkt werden tot gemakkelijk begrijpbare artikelen. Pouwels heeft jaren lang woorden opgeschreven en vertaald in het boek zijn de eigen identiteit in stijl en woordkeuze, alsmede de pertinent Reutumse varianten zo ongekunsteld mogelijk weergegeven. De auteur gebruikte voor zijn uitgave geen woordenboek en evenmin een grammatica. Hij hanteerde oorspronkelijk de oude spelling, die door de uitgever vereenvoudigd is. Een echt naslag werk mag het boek niet genoemd worden, maar zeker wel een persoonlijk document.

Varianten Sinds het Twents Woordenboek `Twents in woord en gebruik' van G.J. Dijkhuis (in 1979 voltooid) en de Grammatica van Twents van Jan van der Velde (in 1995) is er veel wat niet in Dijkhuis staat bijeengebracht door Twentse taaldeskundige André Hottenhuis uit Saasveld. Op zijn minst is vergelijking met deze prominente werken aan te bevelen. " Hottenhuis was gisteren aanwezig bij de presentatie van het `ABC van Pouwels-Gait', waar hij benadrukte dat de Twentse sproak in al zijn typische varianten in ere gehouden moet worden. Voorzitter E. Schoorlemmer van de Heemkundegroep, emeritus-pastoor van Reutum, overhandigen aan Pouwels het eerste exemplaar. De oude Reutumer was dik tevreden met de uitgave en liet weten dat er nog een tweede boek zou kunnen verschijnen met tal van verhalen. 'Ik bin dur bliede met en dat bink' was de reactie van Pouwels.

De presentatie werd bijgewoond door afgevaardigen van heemkundeverenigingen en organisaties op het gebied van historie en mensen die op het gebied van geschiedenis naam hebben gemaakt, zoals het echtpaar Paskamp, dr. Everhard Jans en Dik Taat. Zeker voor de inwoners van Reutum en omstreken, maar ook voor anderen die interesse hebben in de Twentse taal, is het boek

van Pouwels de moeite van aanschaffen waard. Voor vijftien gulden is de uitgave te koop bij de Rabobank in Reutum en bij het Van Deinse Instituut (Elderinkshuis) in Enschede.

 

Feestelijke presentatie "Het ABC van Pouwels-Gait" REUTUM - Door de besturen van de Oudheidkamer Twente en de Stichting Heemkunde Reutum en Haarle wordt op woensdagavond 18 december in café Teun op 'n Hook in Reutum het boek "Het ABC van Pouwels-Gait" gepresenteerd. In dit boek zijn door de 86-jarige heer G.H. Pouwel uit Reutum de betekenissen van een groot aantal Twentse woorden vastgelegd.

Tijdens de feestelijke presentatie, waarbij iedereen van harte welkom is, is het boek voor f 14,- te koop. Daarna is het boek te koop bij de Rabobank in Reutum en bij het Van Deinse Instituut in Enschede. Het boek kost dan 15 gulden. Vorige week trof u in dit weekblad reeds een interview met de heer Pouwel aan.

 

Het A-B-C Boek

 

 

Grepen uit het boek Het A-B-C van Pouwels’ Gait

Beestheier

Dit was een jongen pas van de lagere school of soms ook nog wel naar school gaande, die de koeien moest hoeden, meestal voor de kost bij een andere, grotere boer. Prikkeldraad was er toen nog niet. Het eten was er vaak ook zeer schraal. Dat heeft mijn vader vaak verteld. Die is ook beestheier geweest. Zo omstreeks 1880.

Benne

Dat was een rieten mand, die op de rug werd gedragen door kippenkooplui, die de boeren langs sjouwden om kippen te kopen. (hoonder kremers). Als vroeger een kip verkocht werd, was dat omdat er wat geld moest zijn. Of de kip was meer dood dan levend, maar hij bracht dan altijd nog een paar dubbeltjes op. Als vroeger een kip geslacht werd was dat zo: de boer ziek of de kip kapot. Ook werd de benne gebruikt door de bakkers. Heel vroeger in de tijd van mijn vader, toen die nog jong was: eerst ook op de rug, lopend, en later voorop de fiets, dat was nog in mijn tijd.

Bierleppel

Dit was de lepel, die de vrouwen mee naar de bruiloft namen met een half pond suiker, zo dat ze de mannen er wat van in het bier konden doen als ze er om vroegen. Het was dan vaak de eerste kennismaking, dat half pond suiker ging dan in 'n witten tuk (zak), die ze met een lint onder het kleed hadden omgebonden.

Deenstbodnbaank

Dat was één van de korte banken onder de preekstoel in de oude kerk, waar vroeger het dienstpersoneel, vooral de knechts van de grote boeren, in moest plaatsnemen. Ik heb er ook nog een plaats in gehad, toen ik nog bij Deperink Lammertman was, maar toen was het niet meer verplicht. Ook de knecht van de boerrichter had er later nog een plaats. Vroeger werden de plaatsen in de kerk verhuurd. De boeren moesten voor de meiden en de knechts voor een plaats zorgen en betalen. Twee keer per jaar moest de bankenpacht worden betaald en één keer in de zoveel jaar werden ze weer verpacht. De duurste plaatsen waren voor in de kerk, daar zaten dan ook de grote boeren bij mekaar en een enkele, die het goed kon doen, zoals de hoofdonderwijzer. Mijn vader heeft vaak verteld: als het half jaar weer om was, moesten vaak verschillende kleine boertjes eerst met een paar kippen naar Almelo naar de markt voor het nodige geld.

Dörschekluppel

Een speciaal uitgezochte kromme stok, waar men mee dorste. Dan ging dat op de deel met twee man: klip klap en met drie klip klap - klap klip - klap klap. Een zwaar werk, dat 's morgens voor het eten en het gewone werk moest gebeuren. Ook moeder de vrouw deed vaak mee en als er dan ook nog een kip in het donker tussen de koeien door kwam stommelen om een nest ergens te zoeken (kippen zaten vroeger achter de koeien op stok), moest er even gestopt worden en het petroleumlampje, dat op de brandbak stond, werd dan wat hoger gedraaid, zodat de kip kon zien.

Grommelschoer

Onweer. Toen ik bij De Kemper was, vijf jaar lang, de mooiste jaren van mijn leven, zo rond 1930, moesten we als' het grommelde allemaal op de knieen voor de stoel gaan liggen midden in de keuken en vrouw Lansink bad dan uit een kerkboek de huiszegen. Ook werd dan de Heilige Donates (beschermheilige tegen onweer) aangeroepen. Volgens overlevering zou in die huizen waar de huiszegen gebeden werd geen blikseminslag plaats hebben. Het kon vroeger soms heel zwaar weer zijn en menig oefening van berouw werd stiekem door ieder voor zich zelf gedaan.

Herfstweg

Niet ieder stukje land in de es lag aan een openbare weg. Dan had men het recht om over een stuk land van een ander to gaan. Tot in de herfst, als de rogge gezaaid was. Als de rogge van het land was en het land lag in de stoppels, reed iedereen maar raak, net zoals het hem uitkwam. Als iemand op zo'n stuk land aardappels wilde verbouwen moest dat in overleg gebeuren met de buurman, die ook aardappels wilde verbouwen, want daar moest in het voorjaar mest naar toe worden gereden en dat gaf problemen als rogge al aan het groeien was.

Heufdstool

'n Heufdstool aanpakken, zei men vroeger als iemand grond of eikenbomen verkocht. 'Den pakt 'n heufdstool an. Door zalt er ok wa nig zo best me vuur stoan. Zien ooln leu moan es we op stoan:. (Die pakt `de hoofdstoel' aan. Daar zal het er ook wel niet zo best voorstaan. Zijn ouders moesten eens weer opstaan =weerkeren). Vroeger kochten de grote boeren er niet gauw grond bij, maar verkochten ook niet gauw wat, als het niet nodig was.

Kafmeul

Boven op de molen stond een man, die de garven er in stopte. Het opgebonden stro werd vaak zolang achteruit gegooid of ook wel als men het niet direkt in huis kon hebben, meteen weer aan een hoop opgepakt, maar dan werd het vaak aan een lange tas gezet, zodat men er of en toe een stuk voorheen kon halen. Als zo'n loonwerker in de buurt kwam was je daar enkele dagen druk mee, want zo'n hele noaberschop hielp mekaar. Je moest er natuurlijk altijd goed weer bij hebben. Later kwamen hier uit Reutum de loonwerkers, zoals G. Lansink Kemper, A. Ikink, A. en B. Veenhuis, die ook andere buurtschappen rond gingen en loonwerkzaamheden verrichtten, maar toen ging alles al met de traktor.

Kipse. Pet

Je liep vroeger altijd met de pet op. Je had als jongen twee petten: een voor alle dag en een voor naar de kerk. Ze werden vaak wat groot gekocht omdat ze een paar jaar mee moesten gaan. Het was dan ook vaak zo, dat je hele gezicht er onder wegzakte. Zo zag je de jongen dan ook vaak lopen met het hoofd achterover om nog iets te zien. Bij school werden ze ook gebruikt voor `Bal in de pet'. Je legde ze dan op een rij langs de muur met de klep naar je toe. Je moest dan op een afstand gaan staan en om beurten proberen een bal er in te gooien en in de pet van die jongen, waar de bal in terecht kwam, die moest hem dan vlug pakken en proberen er iemand mee te gooien en die geraakt werd was er af.

Knipmuts

Hierin waren twee soorten: de gewone en de rouwmusten. Als ze wat in elkaar zaten kon men ze zelf met een warm gemaakte plooibolken weer wat opplooien. Maar als hij echt gewassen moest worden ging men er mee naar de mussennaaister. Dat was hier Johanna Kemperink (Kreshan), die wijd en zijd bekend stond als de mutsennaaister. Ze was ongehuwd en kon niet goed uit de voeten. Ze woonde waar nu Ter Beek, vroeger bakker ter Beek, die het van haar erfde, woont.

Knoef

Brandstof, veelal gebruikt in het open vuur. Het was een stuk veen van zo'n halve meter lang, die men stak in de Weuste. Aan de bovenkant veel mos en gras en aan de onderkant hard veen als het droog was. Vandaar zijn ook al die pollen in de Weuste ontstaan, het veen is daaromheen weggegraven. Daar werden de knoefen op gedroogd en als ze zover waren, moesten ze er met een soort ladder worden afgedragen. Volgens mijn grootvader moet de Weuste kaal zijn geweest. Als er hier of daar een struik te voorschijn was gekomen, werd die direkt weer verwijderd, want het was toen om de knoefen begonnen. Ik heb ook nog knoefen gestoken en moest die droog maken door vaak om te keren. En toen ik er met een vracht in huis kwam, klom de oude boer er tegenop om te zien of ze goed gedroogd waren. Toen zei die: `Gait, daar kunnen we van de winter niet bij zitten. Dat gif wat te roken'. Maar dat hoefde hij ook niet, want die nacht daarop is hij al overleden. Dat was Jens Deperink (Lammek Jens).

Koloniehokjes

Dat waren kleine hokjes. Wat latten met een paar rietmatten, aan de voor- en achterkant los, waar zo'n 25 jonge hennen in konden van zo'n zes weken oud, die je dan zo her en der ergens als het kon langs een wal kon neerzetten totdat de hennen bijna aan de leg waren. Dat was in de tijd toen de kippenhouderij al wat meer op dreef kwam. Zo kon je ook meer met de hokruimte weg. Dat kon je alleen 's zomers. Stelen, wat heel gemakkelijk kon, was er niet bij. Een kist met voer werd er open bij gezet. Ook daar kwam toen niemand aan. Alleen de vossen, dat was het ergst. Ik heb het al eens gehad, toen ik 's morgens wilde voeren, dat er zo'n twintig hennen dood in de wei lagen. Maar de volgende morgen liep hij wel tegen de lamp. Een verwoed jager, de Scheper (Jan Lansink), had hem er bij neergelegd. Toen wij 's morgens opstonden kwam hij er al mee aansjouwen

Melkstool

De melkstool was geen stoel, die melk gaf, maar waar je op zat onder de koe om te melken. Je had ze met één en ook met drie poten. Als de koeien in de wei liepen bleven ze daar ook liggen. Meestal werden de koeien aangebonden maar sommigen sjouwden met de emmer en de melkstoel de hele wei door. Tijd had men vroeger overal genoeg voor.

 

Molensteen

Ik heb er twee gevonden toen we bezig waren een stukje heideveld om te ploegen ongeveer 18 are in het Breukke. De Kemper, waar ik toen was als knecht, heeft het ons omgeploegd. Die had vier paarden zo ongeveer in 1929. Het perceeltje was van ons. Het waren twee stenen op elkaar van zo ongeveer 60 cm middellijn. De ploeg ging net tussen de twee stenen door. Het waren stenen van een oliemolen, te zien aan het schuine groefje van de onderste steen, dat diende om de olie af te voeren. We hebben de steen meegenomen naar de Kemper en op zolder gelegd, die ze later heeft verkocht aan een museum in Enschede voor één gulden, waarvan ik twee kwartjes mee kreeg. Hoe de stenen hier terecht zijn gekomen, zal wel nooit te achterhalen zijn. Het kan zijn, dat hier een oliemolen heeft gestaan, daar ze nogal dicht aan de beek lagen en de weide aan de overkant van de beek, die van Elberink (Benman) was, de Mullersmoat heette. Misschien afkomstig van een watermolen? Aan het andere eind van het perceel is vroeger iemand bezig geweest een keet te bouwen, maar dat is hem niet gelukt, want alles wat hij opbouwde werd door de dichtsbijzijnde buren weer in elkaar gegooid. Zo'n keet werd opgebouwd van dikke zoden. Als het zover was dat de rook boven uit het gat van het dak kwam, kon hij niet meer verjaagd worden. Maar zover had hij het daar niet gekregen. Je kon nog altijd de verhoging in het veld zien en ik heb vroeger wel eens aan mijn Vader gevraagd wat dat betekende. Nu kon het ook zijn, dat die persoon, die stenen heeft meegebracht (waarom dan allebei?), want ik weet nog goed, dat vroeger waar men veel met de schop moest werken, men er een Bentheimer steen heen bracht om er de schop op scherp te maken. Die legde men dan ook vaak dicht aan het water om er met een oude bus of klomp bij het scherpen wat water over te gieten. Ook mijn grootvader deed dat. Maar dan werd zo'n steen altijd wat schuin in de grond gegraven. Dat die weide 'Mulders moat' heet kan ook komen doordat daar vroeger bij Benman iemand is ingetrouwd van een Mulder en dat zij of hij die weide als hun deel heeft mee gekregen. En nog een andere mogelijkheid is volgens deskundigen van het museum, dat die stenen daar zijn neergegooid; heel vroeger werd er veel geofferd en dergelijke dingen in een moeras gelegd. Ik kan mij wel indenken, dat het daar vroeger veel natter is geweest dan nu.

 

Nustei

In een kippennest liet men altijd één ei liggen. Een kip had vroeger meer dan nu de gewoonte om zo'n 12 à 15 eieren te leggen en dan met kuikens voor de dag komen. Als men elke dag het ei uithaalde, legde de kip ook weer iedere keer op een andere plaats. Vroeger liepen de kippen los. Overal waar ze maar wilden en om een nest te verstoppen was heel gemakkelijk in alle schuren met hooi en rogge en ook veel buiten op wallen. Het kwam dan ook vaak voor dat opeens een kloek met kuikens bij huis op een belt liep. Vaak werden ze ook wel uitgevreten door de vele bunzings. Er waren in al die oude schuren en roggemijten en hopen takkebos schuilplaatsen genoeg. Er werden ook wel eens stenen eieren (gipsei) als nestei gebruikt. Die werden niet zo gemakkelijk door het ongedierte versjouwd. Als vroeger een jongen het jongste meisje trouwde, werd wel eens gezegd: 'Die haalt het nustei uit'. Waarmee bedoeld werd: die krijgt niet veel bijzonders, of niet alleen het jongste, maar ook het laatste. Ook werd als nustei wel eens een ei gebruikt, dat bij het broeden niet was uitgekomen (een voelei). Men kon dat herkennen doordat het wat oud en geel was geworden.

 

Pastoorbuske

 

Dat was een blikken busje van zo ongeveer drie liter inhoud en dat elke dag van boer tot boer ging om er melk in te doen voor de pastoor en de huishouding, die meestal uit twee meiden bestond. Meestal namen de grote kinderen het mee, die toch naar school moesten en 's middags uit school weer zo. Ze brachten het dan weer naar de volgende boer. Als het niet helemaal vol was moest er elke dag wat in, anders werd wel eens een dag overgeslagen. Vaak kreeg men dan een of twee appels of een paar walnoten in het busje voor de moeite. Vaak werd ook wel onder het busje gekrast, b.v. onze koe staat droog of onze koe heeft niet eens gebolt. Er werd meestal zoveel melk geleverd naar men koeien had. Pastoor Van Benthem voerde nog in, dat iedereen de nodige roomboter er ook bij moest leveren. Ieder gezin kreeg een vaste aanslag. De huishouding van de pastorie moest toen nog volledig door de parochianen worden onderhouden. Elk voorjaar werden een paar kippen te broeden gezet om jonge kippen te krijgen. De helft van de uitgekomen kuikens waren haantjes. Ze werden wat aangevoerd. Zo'n kloek liep op het erf vrij rond en als de kuikens genoeg groot waren kreeg ook de pastoor er een paar mee. Zo was het ook bij het slachten. Dan werd er een schinken (ham), worst of vlees naar de pastorie gebracht. Met Pasen wat eieren, en door de jagers (meestal grote boeren) een haas en dan waren er nog de collectes. Groenten, aardappels en fruit werd er op de pastorie zelf genoeg verbouwd. Dat moest dan door de koster worden onderhouden, die een karig loontje had.

 

Petrollie

Petroleum. Zo ongeveer 1930 kwam hier het electrisch. Men was vroeger hoofdzakelijk aangewezen op petroleum of een kaars. Het gebeurde vaak, dat het hele huis onder de zwarte walm hing. Zo'n lamp begon ongemerkt harder te branden. Kreeg geen zuurstof genoeg en begon te walmen. De deuren werden even open gezet en dan ging het wel weer. Ook in de kerk gebeurde dat wel eens, dat er iemand op de bank moest klauteren om hem uit te draaien. Een mooie foto van zo'n oude petroleumlamp kan men nog zien op een foto van het interieur van de oude kerk onder het beeld links in de kerk van de Heilige Antonius. De foto staat in het boekje. Bij de herdenking van het 100-jarig bestaan der parochie Reutum en Haarle 1818-1918 en geschreven door pater Anastasius van den Broek, Carmeliet, die vroeger bij bijzondere gelegenheden vaak in Reutum was, zoals op Kerstmis. Hier begon hij zijn preek altijd: "t Is heden Kerstnacht'. Die Heilige Mis was dan altijd om 5 uur. Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Allerzielen (1 en 2 november) en als er iets bijzonders was, hielp hij biecht horen. Hij zat in de ene biechtstoel, die er toen was en het pasteurken zat in de sacrastie. Maar de jonge mensen gingen meestal naar de pater. Och, dat ging gemakkelijker. Hij kende jou niet en je was er gauw weer uit. Je nam vroeger alles veel te nauw en je moet niet denken, dat het vroeger allemaal heiligen waren en toen was je ook jong, maar je liep er niet mee door. Maar van pastoor Lauterslager werd altijd gezegd: 'Den vrug oe tei oet 't gat en wa net zolang, dadde de oe ok nog achter kwam'. Zo om de veertien dagen kwam er een petroleumventer uit Weerselo met vierkante bussen van zo'n 5 liter. Op de fiets en later ook met paard en wagen. Hij had een krantje voor de kinderen, waarin een verhaal stond. Hoe het pijpje drop vergaat staat in de volgende automaat, maar dat werd door pastoor Lauterslager verboden om langer aan te nemen (o, pasteurken U moest er nou nog eens weer zijn met al die sex op de televisie). Over pastoor Lauterslager gesproken: het is echt gebeurd toen Herman Groothuis, die de eerste auto had in Reutum en een keer met hem naar Ootmarsum moest rijden, dat ze een paar dames tegenkwamen, die een wat lage hals hadden, dat hij toen zei: 'Herman vóór je kijken, vóór je kijken en ogen dicht'. 'Ja, maar dan rij ik in de sloot'. `0, doe dan de ogen maar weer open'. Ook stonden er in Reutum een paar lantaarnpalen (ouderwetse) met een glazen kastje er op, waarin een petroleumlamp stond en die door Gait zien Teunken (Toon Volmerink) werden aangestoken en weer uitgedaan. Hij deed dat op de fiets met de ladder op de nek.

Liekweg

Was de weg, die gereden moest worden met de overledene naar de kerk. De doden waren vroeger in huis opgebaard. Vaak moest zo'n weg eerst wat in orde gemaakt worden om er nog met droge voeten langs te kunnen. Dat gebeurde dan door de noabers. De liekweg was de weg waarlangs vaak ook de bruid of bruidegom gehaald was. Het jaar door nam men nog wel eens een weggetje binnendoor naar de kerk over een particulier stukje grond, dat beter begaanbaar was en soms korter. Dan ging je richtan (binnendoor).

Richt an

De kortste weg. Vroeger ging men vaak 'richt an' (binnendoor), omdat de zandwegen zeer slecht waren. Ook de postbode ging richtan. Soms een eind over een wal en ook wel hier en daar lopend door een weiland en hij liet de fiets dan op de weg staan. Die nam toen niemand mee. Zo deed ook de bakker. Ook wij liepen vaak recht aan als we naar de winkel moesten voor een boodschap of als 's avonds de petroleum uit de lamp was. We liepen dan bij ons achteruit richting Reutum, de `Scholmoor van 'Bokhorse door, waar ook ons perceel van afkomstig is. Dan door Mensman zijn haverkempe bij Mos Jens (Snijders) voor de deur heen, dan tussen het kosters huusken en het kerkhof door en kwamen dan bij Mensink, de winkelier uit, waar je dan, al was het laat, ook nog vriendelijk werd ontvangen met een paar snoepjes. Bang waren wij vroeger niet, al was het donker. Slechte mensen, zoals nu had je vroeger niet. Je was alleen maar bang voor de 'boesjear' (bosjager), spoken en heksen. Mijn vader en moeder liepen wel vaak die weg en mijn grootvader, die toen nog leefde (gestorven in 1922) ook.

Rugstukke

Dat was een stukje uit de rug van het varken, dat geslacht was. Zo'n rug werd na het slachten door de huisslachter aan stukjes gehakt, gezouten en dan aan de zolder gerookt of in de schoorsteen en daar hingen ze ook het spek en de andere uitgesneden botten. Van de rugstukjes werd 's zondags soep gekookt. Dat was `riestsoep'. De de rest van de botten kwam zo door de week in de stamppot. Voordat het in de pot kwam moest het eerst een nacht in het water staan, dat het zout en het roet er uittrok. Dan werd het met lauw water en een borstel van het meeste roet ontdaan en zo ging het in de pot. Van zo'n geslacht varken werd vaak wat naar de naaste buren en familie gebracht, direkt als het nog vers was. Daar was ook zo'n rugstukje bij en wat 'met' (schraal vlees). Soms deed men er ook nog wel een bloedkoek (dikke ronde ballen) en een leverworst bij. Ook de pastoor werd meestal niet vergeten. De huisslachter kwam `s avonds terug om het varken af te snijden en in te zouten. Vaak werd een kleine slachtvisite gehouden met een paar buren (noabers) en wat familie. Daar werden een paar borrels gedronken. En wat in de pan. Het spek werd dan bewonderd. Bij hele dikke varkens was dat soms een `stenken dik', waarmee bedoeld werd de dikte van de tegels achter de haard. Hoe dikker het spek was hoe liever en hoe vetter. Het plukvet (het vet van de darmen), die men heet op at bij de bloedkoek met roggebrood. Heerlijk. De reusels werden eerst mee gezouten, dan opgerold en aan de zolder gerookt. Hiervan werd op Vasseldag (vrijdags) het jaar door wat uitgebakken en met siepelnat gegeten. Want op vrijdag kwam er geen spek of vlees op tafel. Dat siepelnat bestond uit gehakte uien met karnemelk en dan dat reuzel. Voor één dag in de week was dat heerlijk. `s Avonds als de kinderen naar bed waren, werd de metworst gemaakt. Daags werden de worstepinnen gehaald. Meestal doornen van de meidoorn of sleedoorn. Daar stak men de worsten mee dicht. Voor de leverworst werden meestal houten pinnen gebruikt.

Stoffe, stoof

Een ongeveer vierkant kistje. Aan de bovenkant gleuven of gaten ingemaakt en waar men de voeten op warmde, vooral oude vrouwen. Er was een stenen pot bij. Die zette men daarin met een gloeiende turf of houtskool. Ze werden vroeger veel mee naar de kerk genomen als men met de wagen of koets ging, want vanwege de vaak zeer slechte wegen gebeurde dat veel. Ook werden ze wel eens meegenomen in de kerk, totdat er een in brand raakte, net onder de preekstoel, die in die tijd een eind de kerk in stond, waarna de pastoor er een eind aan heeft gemaakt. Ook zou de schuur van Mensink (café) er door zijn afgebrand. De paarden werden bij café Mensink of Leverink gestald en als er genoeg ruimte was ging ook de koets naar binnen. De stoof zou daar in brand zijn geraakt.

Stoomfiets

Een zware motor om op te rijden in plaats van de fiets. Deperink (Depenman) in de Zoeke had de eerste stoomfiets in Reutum. Hij had veel bekijks als hij er mee reed.

 

 

Tuffelkelder

Aardappelkelder. Een hokje, waar het droog genoeg was, zo'n halve meter in de grond, opgezet met dikke zoden en bedekt met plaggen en van binnen een rand van tuffelplaggen en een houten deur ervoor. Het vroor er niet gemakkelijk binnen en 's zomers was het er fris, waardoor de aardappels langer goed bleven. Ook was het een mooie plaats om 's zomers 's middags een dutje in te doen, want er werd 's zomers altijd tot 2 uur gerust en de meeste boeren gingen dan even slapen. Bij een hele enkele boer kun je nog zo'n hokje zien. Een heel mooi hokje staat nu nog bij Henk Groothuis aan de Stroveldsweg (moet eigenlijk zijn Streveldseweg, want men zei vroeger ook 'op het Streveld' en tegen Vrerink zei men en zegt men nog `Strevelds Gerriet' (afgeleid van Strevelds heuke) (hoekjes houtopslag).

 

Ulk. Bunzing

Een roofdier dat hier vroeger nogal veel voorkwam en leefde van alles wat hij maar kon krijgen, zoals kippen en allerlei kuikens en eieren en wild. Hij hield zich vooral op onder roggemijten, hopen takkebos, boerenschuren en ook wel in oude huizen. Er waren twee soorten, de huisulk en de walulk. De huisulken waren wat groter. Ze werden gevangen om de pels en omdat ze zo schadelijk waren. Hele hopen takkebos werden er voor omgepakt. De hele buurt kwam er soms aan te pas. 's Winters als het gesneeuwd had, kon je het spoor mooi volgen. Ze gingen 's nachts op roof uit en als er dan sneeuw lag, ging je 's avonds met een lantaarn en hond er op uit. De hond aan de lijn en als je dan zo'n spoor had gevonden, volgde je dat met de hond en als je zag, dat hij in de sneeuw grote sprongen had gemaakt, was dat een teken, dat je hem dicht was genaderd. Je liet dan de hond los en het duurde niet lang of je hoorde een geschetter als teken, dat hij hem te pakken had. Niet alle honden durfden het aan. De pels was heel duur, soms wel f. 25,- en dat was vroeger wat. Meestal bracht je ze naar een man vlak voor Oldenzaal. Scholten, een heel vertrouwde man, die ook mollenvelletjes ,kocht. Ook ving men ze in klemmen. Het was een mooie sport.

 

Vatwerken. Kistleggen.

Als vroeger iemand was overleden, gingen de noabers met briefjes rond. In elke buurtschap of in elke hoek van de parochie een. Daarop stond, als het nog voor de middag was: 'Vanmiddag um een uur is der bidden en vatwerken an hoes en van ovend um half acht bidden in de kerk. De naaste buurman werd het eerst gewaarschuwd. Die of die man of vrouw, de noabervrouwen kwamen dan zo'n kwartier eerder om het hemdkleed te naaien en de overledene aan te kleden. Als het een man was, deden dat een paar mannen en als het een vrouw was een paar vrouwen, die dan ook het vatwerken deden (in de kist leggen deden). Het was een kale kist met wat stro er onderin en een hoofdkussentje met wat stro.

Toen mijn grootvader was overleden, moest ik van de buurvrouwen naar de hiel om wat stro te halen. Er was niet veel te vinden, want het was de zomerdag. Ik weet het nog goed. Het was 25 juni 1922. Ik was toen 12 jaar. De eerste noaber moest voorop bidden. Er werden drie rozenkransen (rozenhoedjes) gebeden met eerst een geloof in God de Vader en later de litanie van Maria en een litanie voor die er het eerst op volgt, de eerstvolgende dode. Als dat gebeurd was, zei degene, die voorop bad: 'As der nog wat zint die at 't liek wilt zeen, die kunt dat noe'. De slaapkamerdeur werd dan geopend. Voor het bidden kwam iedereen zwijgend binnen de niendeur in. Men ging daar direkt op de knie. De vrouwen op allebei knieën. Men bad een Onze Vader en Weesgegroet en zei dan pas goeiendag. De mannen bleven op de deel bij het vee op de knie en de vrouwen gingen door naar het voorhuis, waar ook de naaisters zaten. De oude vrouwen konden nog voor een stoel gaan liggen en de overigen op beide knieen op de vloer met kiezelsteentjes.

Alleen hieraan had men al wel een volle aflaat, zoals men die vroeger kon verdienen. Soms begon een koe van al die onwennigheid te loeien. Maar dat kende men wel. De opkomst was altijd groot. Minstens uit ieder gezin was er een en van de buren twee en dan de hele familie. Het hele huis was altijd stampvol. De noabervrouwen en de familie bleven dan koffiedrinken. De naaste familie zat meestal in één of andere slaapkamer. Dan was er drie avonden achtereen weer bidden. Het kon gebeuren, dat er twee tegelijk boven eerde stonden; dan werd ook het dubbele gebeden. Het voorop bidden gebeurde meestal zowel aan huis als in de kerk door de naaste buurman of vrouw. Voor wie er tegenop zag, deed het ook de koster wel voor een paar dubbeltjes. In mijn tijd was dat Jan Vrerink (ik heb ook koster Haarhuis nog net even gekend). Als 's middags het bidden was afgelopen, kon men de briefjes meenemen voor het `grovenboeren' (uitnodigen voor de begrafenis), die door de familie waren klaargemaakt. Elke noaber een briefje; de eerste beide noabers hoefden geen briefje te hebben. Die moesten al het andere werk regelen: zoals direkt de naaste familie waarschuwen, de pastoor, het gemeentehuis, de kist bestellen, de doodgraver (wat toen de koster was) en als er achteraf iemand vergeten was.

Een van de naaste buren moest onder de begraafmis thuis blijven, dat ze niet in een leeg huis kwamen na de lijkmis en die avonden ook in huis oppassen. Het lijk was toen altijd in huis opgebaard (alles heel sober). De genodigden werden zoveel mogelijk gelijk over de briefjes verdeeld. Die het verst weg woonden een paar minder. De derde noaber mocht dan het eerst afnemen en zo verder. Iedereen wist de hoeveelste noaber hij was. Dat was meestal zo van acht tot veertien en soms nog wel meer. De beide eerste noabers moesten ook heel Reutum en Haarle uitnodigen als er geen zondag tussen was. Er werd dan gezegd: le wordt verzocht op de begrafenis van die of die'. En als er een familielid of een goeie bekende of iemand, waar men verplichtingen aan had, zoals b.v. de boer, waar men onder hoorde of waarvan men de hypotheek had, werd dan nog gezegd: 'En ie wordt nog apart verzocht', wat dan inhield, dat die na de begrafenis mee naar het cafe kon gaan om koffie te drinken.

Rouwkaarten en doodsberichten in de krant, zoals nu, was toen nog niet gebruikelijk en ook condoleren na de begrafenis werd toen nog niet gedaan. Het lijk werd via het achterhuis (de niendeur) opgeladen. Daar deed ook de bruid of bruidegom haar of zijn intrede. `En die morgen en zo laat'. Een klein boertje was dat meestal zo half negen en van een grote boer wel half elf. Daar werd ook naar betaald. In mijn tijd moest alles met de fiets worden afgelegd. Bij de genodigden kreeg men koffie met wat eten en als er een borrel in huis was, ook vaak wel een borrel. Er werd dan even gepraat en uitgerust.Het waren vaak weggetrouwde buren, die men vaak in geen jaren meer had gezien of familie.

Vroeger waren de Heilie missen altijd latijn. Geen enkele bloem, zoals nu en alles zwart: het misgewaad, het altaar, kaarsen half spiraalvormig gewikkeld met een zwart lintje (hoe groter de boer hoe des te meer kaarsen). Een begrafenis was in klassen verdeeld. Volgens mijn vader was ook de kist vroeger van buiten met zwartsel zwart gemaakt en zonder beslag. Ook het kleed over de kist in de kerk was zwart met een groot wit kruis. Ook de grote houten baar was zwart. Als de inaarding, zoals dat vroeger genoemd werd, gebeurd was, riep de koster luid: 'De gemeentenaren worden bedankt en de noabers en familie wordt verzocht bie Bernard Mensink of Gerhard Leferink'.

Toen wij nog schoolkinderen waren mochten wij, als het een buur of familielid was, na school komen kijken en mochten we een mooi prentje, dat je gekregen had van de pastoor als je zoveel keer de catechismis had gekend, dan mochten wij dat prentje in de kist op het lijk leggen. Wanneer men van het kerkhof terug kwam, ging de naaste familie nog even terug in de kerk om nog even na te bidden en daar kreeg men ook de bidprentjes van de pastoorsmaagd (zoals die toen genoemd werd) en die werden dan in het cafe door de naaste noabers uitgedeeld. De lijken werden vaak zeer ondiep begraven en vaak her en der verspreid, waar men het minste last had van wortels van de oude linden en als men dan zo'n graf had dicht gemaakt, kwam men er ook niet vaak terug. Het werd wat aangeplakt, dat was alles.

Bloemen of kransen zag men niet. Bij de meer gegoede kwam er een kruis op, zoals op een oude luchtfoto van de kerk nog is te zien. De lijkwagen was de gewone jachtwagen. Dat was de zeilwagen, maar dan zonder dat hoge hek en het zeil. De wagen moest altijd door twee paarden getrokken worden. Die werden gemend door de knecht van een grote boer, omdat de kleine boeren geen of maar één paard hadden. Elke boer wist in welke hoek en bij welke noaber hij was aangewezen. De hele weg werd lopend afgelegd. De voerman hield het `bijhandse' (linker paard) lopend bij de bek.

Er waren bepaalde lijkwegen, die gevolgd moesten worden. Dat was doorgaans de weg, waarlangs ook de bruid of bruidegom gehaald was. De wegen waren vaak zeer slecht en vaak moest men van te voren gezamenlijk zo'n weg eerst wat opknappen. De grootste gaten wat dichtgooien, zodat men nog met droge voeten bij de kerk kon komen. Pastoor Lauterslager heeft eens een keer gezegd, dat hij zich niet kon begrijpen, waarom niet alle boeren rondom de kerk gingen wonen!!! Na de begrafenis moest er nog een bepaalde tijd gerouwd worden, dragen van zwarte kleren, sobere knipmutsen (al het goud werd door zilver vervangen), met zwart hoedje, zwart geblokte of gestreepte zakdoeken. De kinderen een zwarte band om de arm. De duur van rouw lag aan de familieverhouding. Echtgenoten tegenover elkaar langer dan broers en zusters. Hiervoor stond een bepaalde vaste tijd. Hierop werd nauw gelet. Zo werd wel eens gezegd: 'Is die of die al zo lang dood? Ze hebben de rouw al uitgedaan .

Walstie

De plek waar vroeger een houtwal was. Dat wordt nu nog wel eens gezegd: 'Daar op de walstie'. Een teken, dat daar vroeger ook een wal heeft gestaan. De meeste wallen zijn geleidelijk aan gerooid, zo af en toe een stuk. Men maakte er dan mothopen (kompost) van. Het hout werd er uitgerooid, men deed er wat mest, die men toevallig nog had, doorheen, zette hem een paar keer per jaar om, van voren naar achter en andersom en reed hem dan in het voorjaar op het grasland als bemesting. Zo zijn de wallen verdwenen. Als kleine hoopjes werden ze op het grasland gereden en dan met de schop uit elkaar gestrooid. Eerst werden de sloten, die naast de wal waren ontstaan, dichtgegooid, maar die waren meestal door het vee al wel dichtgetrapt.

 

Wanne

Een grote platte bodem met aan de achterkant een opstaande rand en twee handvaten en gemaakt van dunne twijgjes, die werd gebruikt om het koren na het dorsen mee schoon te maken. Door de wanne op de knieën te houden en op en neer te schudden en met een ganzeveer uit de vleugels het kaf er af te strijken. De veer bewaarde men dan door hem tussen de twijgjes van de wanne te steken. Als het klaar was werd de wanne opgehangen voor de hiel aan een houten haak. Ook werd hij wel eens gebruikt om er hele kleine kinderen een poosje in te leggen, want vloerbedekking was er vroeger niet. Meestal was de vloer kleine veldkeitjes. Ook bij ons was dat zo en in de slaapkamers hadden we leemvloeren. Ik weet nog goed, dat mijn grootvader een paar oude jute zakken voor de bedstee had liggen als vloerbedekking. Hij is overleden in 1922, ik was toen 12 jaar. Ik zie hem nog zo liggen in de kist, die op de grond stond met een lang wit hemd, gemaakt door de buurvrouwen, een witte puntmuts op en witte kousen. Bekleding in de kist was er toen niet bij. Er moest wat hooi van de zolder komen voor het hoofdkussen.

 

Wittelkwast, witkwast

Een platte borstel met een kort steelje. Vroeger werd er nog veel bekalkt, zoals de keuken. Wat nu kamer is heette vroeger keuken en als je het had over kamer, werd daarmee de slaapkamer bedoeld. Ook de slaapkamers werden vaak bekalkt. Als een muur wat geel was geworden kon men er goedkoop met kalk weer overheen. Een schilder kwam er nooit aan te pas. Zo tegen Pasen kreeg alles een beurt. Zelfs de palen bij huis om de wei werden met kalk wit gemaakt en de dikke veldkeien om het huis. Als zo tegen mei de koeien in de wei gingen, werd de stal goed schoon geschrobd en het bovenste stuk van de muur wit gemaakt en een meter onderaan zwart met teer of zwartsel. Heel vroeger gingen de koeien 's nachts weer in de stal, maar later als ze een keer buiten waren bleven ze de hele zomer buiten. Ze werden niet meer bijgevoerd zoals nu. 'Nu gaat het touwtje om de zak', zei men dan.

Zo tegen Pasen moest er altijd veel gebeuren, veel bekalkt maar ook veel geschrobd en vernieuwd. Nieuw gebloemd randpapier langs de vakjes in de glazenkast boven de spinde. De schoorsteenvelkes om de bozum in de keuken en de deel werden gewassen of vernieuwd. Nieuw randpapier voor het bankje van het Heilig Hart van Jezus.

En ondertussen werden de eieren van die paar kippen, die men had, in de Goede of zo men wil Stille Week al vast gespaard voor Pasen. Het paaseieren eten was een feest, want een ei kreeg men bijna nooit, hoogstens op vrijdag (vasseldag), maar op Pasen 's avonds voor het paasvuur kreeg men er zat. Er waren er wel, die er zo'n 20 stuks en meer konden eten en er de volgende morgen ziek van waren en uit de kerk moesten. Men zei dan: 'Die was eierkrank'.

Toch moest er tegen Pasen buiten nog veel gebeuren. Van de stromest, die op het weiland gebracht was, moest het droge stro worden opgeharkt en weer als strooisel gebruikt. De takkebossen moesten bij huis aan een hoop  worden gereden en de sleten ook bij huis om ze later kapot te zagen voor brandhout. Als de takkebossen 's winters gemaakt werden, zette men ze eerst aan kleine hoopjes van zo'n stuk of zes tot tien. Langer dan Pasen liet men ze niet zitten daar anders de kleine vogeltjes er in nestelden en dan de nestjes verloren gingen. Merels, lijsters en roodborstjes maakten er graag hun nest in. Op Paaszaterdag werd het paashout bij elkaar gehaald, wat er volop was. Men ging met paard en wagen los en kapte maar wat raak. Overal stond wel wat langs de weg op percelen, die nog niet ontgonnen waren, in het Breuken en het Hondeveld. Het bestond meestal uit opslag van dennen, woagholt (jeneverbes) en wat men maar tegen kwam. Als het voor het paasvuur was zag men het niet zo nauw. Er werd direkt na de middag al begonnen, want men moest op Paaszaterdag nog te biecht. Eens per jaar en omstreeks Pasen dat was verplicht en ook ieder in zijn eigen parochie. Er kwam dan een pater uit Zenderen en de pastoor zat dan in de sacrastie.

 

Zicht. Sikkel

Waar men de rogge en haver enz. mee maaide. Men deed dat met de zicht en strikhaak. Het prikstik waar men de zicht af en toe wat bij moest scherpen, had men in de broekzak (boksentuk). Het was altijd een heel zwaar werk. Vaak zeer warm (de hondsdagen) zo rond 24 juli (St. Joopke). Lange dagen. 's Morgens zo tegen half acht op het land en dan had je het morgenwerk, zoals melken al af. Men had er ongeveer een week voor nodig. Men maaide altijd met zo'n 4 a 5 man. Elke twee maaiers, een bindster of binder en een man, die ze op moest zetten in hokken van 10 garven en als die er niet was moest dat even met z'n allen gebeuren. Het waren meestal de wunners, die moesten helpen en daarnaast had men altijd een paar vaste maaiers. Om een uur of tien werd er even gerust om een boterham te eten en koffie te drinken. Om ongeveer twaalf uur middageten, aardappels met groenten en spek, meestal varkenskoppen gezouten en gerookt, die hiervoor bewaard werden. De groenten waren meestal bonen en daarnaast kreeg men 'zeutenmelkse riest', koud (heerlijk) in een of twee grote schalen midden op tafel, waar men met z'n allen om heen zat te lepelen. Hiervan kon men zat eten. Nog even moest de zicht gehaard worden en dan ging men tot zo ongeveer kwart voor twee rusten, vaak onder een boom of ook wel in het hooi op zolder. Dan dronk men koffie, meer ook niet en ging men met grote koperen ketels met drinken, slappe koffie of thee of karnemelk met water, weer naar het land. Vaak kwam men nog tekort en moest er door iemand koud water bij gehaald worden en zo ging dat door met maaien tot vijf uur. Dan kwam de boer of vrouw met spekpannekoek, waarvoor dan eerst gebeden werd, meestal was dat tegelijk met het 'Engel des Heren'. Dan werd er een uur gerust. Meestal ging dan de meid naar huis om te melken. Dat deed zij alleen en ze hoefde niet terug te komen. Die moest dan vaak 's middags, in plaats van rusten, de melkbussen nog schuren. Zo tegen zes uur werd er weer begonnen tot half negen. Dan werd de klok geluid. Later werd dat kwart over acht.

Jan Vrering, die koster was en ook bij Lammertman hielp bij de rogge, trouwde op latere leeftijd nog. Hanna, zijn vrouw, wilde zien kostkerken wat vroeger in huis hebben en nog aangespoord door het personeel van de boeren trok zij steeds wat eerder aan het touw.

In het roggemaaien werd er speciale robbenstoet gebakken door de bakker. Dezelfde, die men ook bij het 'koeken' op oudejaarsavond mee kreeg.

Daarvan at men 's morgens, en om tien uur en als men dat wilde, ook 's avonds wanneer men naar huis ging. Maar meestal ging men doodmoe liever naar huis of nog even naar je eigen stukje land en maaide daar nog een poosje, want die rogge moest er ook af. Want als ze te rijp werd viel het zaad er af. 'De rogge begint al te guren', zei men dan.

Als de rogge gemaaid was moest dadelijk worden begonnen met binnenhalen en daar moesten de wunners ook mee helpen. Maar eerst werd de stoppelhanen gedronken. Als men 's middags klaar was en anders 's avonds. Je kon dan wel zat drinken: de mannen jenever en de dames zoet (rood). Dat was altijd heel gezellig. Soms werd er gedanst op de deel.

Het luiden 's avonds, wanneer men kon uitscheiden, zou ontstaan zijn doordat een inwoner uit Reutum, Teuse, een kerkklok zou hebben geschonken, met die voorwaarde, dat er in St. Joopker 's avonds geluid zou worden ten teken van ophouden met maaien. Dit, zoals mijn vader eens heeft verteld. Zo werd er vroeger ook drie keer per dag het 'Engel des Heren' geluid, 's morgens om half acht, 's middags om half twaalf. Opdat de boerenbevolking om twaalf uur thuis kon zijn en 's avonds om 5 uur. Er werd door iedereen gebeden, als men thuis was en men hoorde het vaak hardop, gezamenlijk. Als men op het land was werd er even gerust. Men nam dan de pet af, die men altijd op had (de kipse). Er waren wel oude paarden, die vanzelf gingen staan als ze de klok hoorden. De hele es stond dan te bidden als men rond keek. Als je het toevallig niet hoorde, zag je het wel van een ander.

De hele herfst, als de rogge er af was, was je bezig in de es. Op wat stukken land moesten knollen gezaaid worden. Het overige moest weer zwart worden door strieken (ondiep ploegen) en eggen. De mest die er was moest er heen. Allemaal aan kleine hoopjes op het land. Als het erg droogde werden de hoopjes nog eerst met wat zand bestrooid tegen het uitdrogen. Later moest alles met de greep verstrooid worden.

De hele es stond vol mensen en paarden. Het land moest weer zaaiklaar gemaakt worden, want in de tweede helft van september moest de rogge er weer in. 17, 18 en 19 september, dat waren vroeger de voornaamste zaaidagen. Er moest eerst wat zaairogge worden gedorst, 's morgens heel vroeg nog voor men met het andere werk begon. Bij de kleine boeren moest dat met de stok gebeuren; de grotere hadden toen later al een dorsmolen, die door paarden via een geubel werd getrokken, in beweging werd gebracht.

Veel rogge werd toen nog met de hand gezaaid. Niet iedereen kon goed zaaien. Men hielp elkaar vaak. Als de één zaaide ging de buurman aan het eggen. Het land moest, wanneer het omgeploegd was, eerst zaaiklaar gemaakt worden. Er moest een middelvoor dicht gegoten worden en de hoeken worden omgegraven. Wanneer de rogge er in was, werd met de bats of schop het zaad en ook het zand, dat in de voor gevallen was, netjes er uit geschept en de voor mooi aangeplakt. En wanneer men dan 's avonds met paard en wagen naar huis ging (het was al vaak donker geworden), kon men overal de patrijzen horen roepen, die overdag door een jager uit elkaar waren gedreven en ook de Kieviten vlogen al weer in koppels en riepen ook overal. Het was dan één en al rust in die vaak diepe uitgeholde en kronkelige weggetjes door de es.

 

Zoals gezegd zijn dit wat grepen uit het ABC boek van Pouwels. Het boek bevat nog veel meer prachtige beschrijvingen.