
Ergens in mei, juni 2026, belde Harry Olde Loohuis mij met de opmerking dat hij mogelijk een interessant verhaal voor de website Reutum de Verhalen had. Het bleken oorlogsnotities te zijn van Trees Olde Loohuis als aanvulling op het verhaal van haar broer. Samen met het verhaal dat Ben Lammerink al eens gepubliceerd heeft en de familiefoto die Harry Olde Loohuis ook nog eens wist te achterhalen, is het resultaat hieronder te lezen.
Oorlogsherinneringen uit Reutum/Haarle
1. Familie Olde Loohuis – Het Meesterhoes (tekst -Ben Lammerink)
2. De oorlog een halve eeuw geleden. (tekst - Ben Lammerink)
3. Persoonlijke herinneringen aan de laatste oorlogswinter in het "meestershuis" (tekst - Trees Olde Loohuis)
Fam. Olde Loohuis – Het Meestershoes
Wanneer Jan Hendrik Olde Loohuis op 1 juni 1906 als hoofd van de lagere school wordt benoemd, is de familienaam “Olde Loohuis” in Reutum gevestigd.
Hij komt vanuit Berghuizen (Gem. Losser), en is hier op 18 april 1879 geboren. Gedurende 40 jaar is hij samen met Pastoor Lauteslager van grote maatschappelijke betekenis geweest voor de inwoners van Reutum.
Na eerst ‘in de kost’ te zijn gewest bij Johanna Hesselink (Kreshan), bouwt hij later bij z’n huwelijk met Hendrika Johanna Hesselink (geb. 17 okt. 1889, Reutum) een eigen huis aan de Kerkstraat 46, “Het Meestershuis”, voor de Reutummers.
Vanwege zijn kleine postuur – voor de inwoners, ’t meesterken – had in die tijd als schoolhoofd ook nog de zorg over de boerderij en verzorgde ’s avonds landbouwonderwijs voor de plaatselijk jonge boeren. Bovendien is hij mede-oprichter en kassier van de plaatselijke (Boeren)leenbank.
In het Jaarboekje 1991-1992 van de Stichting Heemkunde Reutum en Haarle over 200 jaar onderwijs, is er een hoofdstuk over “’t meesterken Olde Loohuis.
In de Tweede Wereldoorlog wordt het voorhuis van de meesterswoning door de Duitsers gevorderd … en heel merkwaardig, zoon Harry (geb. 15 juli1914), voert van hieruit het commando over de plaatselijke verzetsgroep.
In het jaarboekje van de Heemkunde Reutum van 1995 over 50 jaar bevrijding, verhaalt “Mees-Harry “ over z’n rol in de oorlog. (bijgevoegd).
In het boekje “Tubbergen 1940- 1945 “, (Uitg. v.d. Berg – Enschede, 1986), beschrijft Ger de Vries, in het hoofdstuk “We waren geen Helden”, uitgebreid deze ondergrondse activiteiten.
Zus Trees (geb. okt.1928) beschrijft tenslotte deze periode in het gezin Olde Loohuis.

vlnr: Trees Olde Loohuis, Fons Olde Loohuis, Johan Olde Loohuis, Jan Hendrik Antonius Olde Loohuis, Ida Olde Loohuis,
Hendrika Johanna Hesselink, Harry Olde Loohuis, Gerard Olde Loohuis en Marietje Olde Loohuis.
De oorlog - een halve eeuw geleden
Vijftig jaar na de bevrijding een verhaal schrijven over een periode die je zelf niet hebt meegemaakt, ligt niet voor de hand. Het is waarschijnlijk de laatste kans een stukje geschiedenis te belichten van wat er zich in en om Reutum en Haarle in de Tweede Wereldoorlog heeft afgespeeld.
Nu zijn er nog de mensen die op de een of andere manier aan deze verschrikkelijke periode worden herinnerd. Uit hun mond kun je verhalen beluisteren die het waard zijn opgeschreven te worden, alhoewel je af en toe de indruk krijgt dat zij zelf er niet telkens aan herinnerd willen worden.
Bovendien is er soms een begrijpelijke gereserveerdheid wanneer diep ingrijpende gebeurtenissen ter sprake komen. In een kleine dorpsgemeenschap als die van Reutum en Haarle kan en wil men geen openheid over bepaalde gevoelige zaken, zelfs niet na vijftig jaar. Het grootste deel van onderstaand verhaal is gebaseerd op herinneringen van H.G.J. Olde Loohuis (geb. 1912), en in de Tweede Wereldoorlog commandant van de plaatselijke verzetsgroep.
Harry Olde Loohuis was toendertijd evenals zijn vader onderwijzer aan de Mariaschool in Reutum. Het huis van meester Olde Loohuis - 't oale Meesterke' - tegenwoordig Kerkstraat 46, was door de Duitsers gevorderd. "Oberleutenant" Bahr voerde van hieruit het commando over een groep Duitsers welke gelegerd waren in het Gemeenschapshuis St. Jozef, terwijl vanuit hetzelfde huis ook het verzet werd georganiseerd. Een merkwaardige situatie.
De bestuurlijke kant
Onze gemeente is onlosmakelijk verbonden met de naam "von Bönninghausen", niet alleen vanwege het feit dat twee broers van deze familie hier burgemeester waren in de oorlog. Reeds in het begin van de 18 - eeuw kwam de havezate Herinckhave in Fleringen door huwelijk in het bezit van de familie von Bönninghausen, een oud Westfaals adelgeslacht. Een van de nazaten, Freiher C.M.F. von Bonninghausen, geboren op 12 maart 1785 op het Herinckhave beschrijft als landbouwdeskundige de Twentse landbouw in het begin van de 19e eeuw; het werk is in 1988 vertaald door de Stichting Heemkunde Albergen. In 1816 wordt de familie opgenomen in de Nederlandse adelstand en voortaan mag men zich Jonkheer/Jonkvrouw noemen.

Op 5 okt. had Tubbergen in Overijssel de twijfelachtige eer als eerste een N.S.B.burgemeester, in de persoon van Jhr. E.L.M.Th. von Bonninghausen (Egon), in haar midden te hebben. Egon leerde het besturen in 1923 op het gemeentehuis in Borne, waar een oom van hem burgemeester was. Op 22 december 1926 wordt Egon als 27 - jarige benoemd tot burgemeester van Ootmarsum. Alhoewel er wordt verteld dat er een slechte samenwerking is binnen het College, wordt hij telkens weer herbenoemd. In 1939 komt aan het burgemeesterschap in Ootmarsum een einde omdat hij zich al te "pro-Duits" heeft uitgelaten.
Evenals zijn jongere broer Jhr. Mr. Ernst J.B.M. von Bönninghausen wordt hij nu lid van de N.S.B. Partij, daarmee duidelijk aangevende dat hij Duits gezind was. Na de Duitse inval ziet Egon zijn benoeming als burgemeester van Tubbergen dan ook als rehabilitatie; zijn broer Ernst wordt diezelfde tijd burgemeester van Hilversum.
Het is duidelijk dat vanaf dat moment kopstukken als Rauter en Seys-Inquart regelmatig te gast zijn op het familie-goed Herinckhave...., al laat de familie weten dat de bijzonder fraaie omgeving door de Duitse bezetter is opgeëist voor jachtpartijen.
In het voorjaar van 1943 kwam ik wel om een heel bijzondere reden op 't Herinckhave, aldus Harry Olde Loohuis. Om de staking op het districtskantoor te breken, was aan gemeente-secretaris F.E. van den Berg te verstaan gegeven, een lijst met namen van mannen uit de gemeente Tubbergen samen te stellen. De gemeente-secretaris benaderde daarop pastoor Lauteslager in Reutum met het verzoek diens pastorale invloed aan te wennen en de familie von Bönninghausen te willen verzoeken om gratie. De familie had immers al heel lang het recht van kerkbezoek in Reutum, en met name de 'Freule' - de moeder van Egon en Ernst - kwam regelmatig op de pastorie. Met een door pastoor Lauteslager opgestelde smeekbrief werd vreemd genoeg `verzetsman' Harry Olde Loohuis op pad gestuurd naar `het hol van de leeuw'. In eerste instantie is Mevr. Von Bönninghausen kwaad en verontwaardigd, dat aan haar verzocht wordt wat te doen voor de inwoners van Tubbergen, terwijl diezelfde inwoners haar wel kunnen vervloeken.... Zij zegt het verzoek door te spelen aan haar zoon Ernst in Hilversum, die goed bevriend is met Rauter. Directeur A.H. Hazelbekke wordt verantwoordelijk gehouden voor de staking op het districtskantoor, maar de lijst met 'gijzelaars' wordt vernietigd.
Mevrouw von Bönninghausen wordt omschreven als een onberekenbare vrouw, het ene moment ontroerd door de brief van pastoor Lauteslager, het andere moment een fanatiek aanhangster van het Nazisme.
In augustus 1941 wordt Egon von Bönninghausen bevorderd tot commissaris van Overijssel. Hij kan hier niet goed samenwerken met N.S.B.districtsleider Jager. Hoog oplopende ruzies leidden er tenslotte toe dat Egon in dienst treedt bij de "Waffen-SS" en zich aanmeldt als vrijwilliger aan het Oostfront. In de zomer van 1942 krijgt hij van Mussert eervol ontslag als commissaris en vertrekt op 31 aug. 1942 naar het opleidingskamp. In maart 1943 wordt bekend dat voormalig Overijssels N.S.B.commissaris, voormalig burgemeester van Tubbergen en Ootmarsum, Egon von Bönninghausen op 26 feb. 1943 aan het Oostfront in Stalino (Oekraine) is gesneuveld als "SS-Schutze".
Jhr. Mr. Ernst von Bönninghausen, de jongere broer van Egon, lid van de Eerste Kamer van de N.S.B. en goede vriend van Mussert keert terug naar zijn geboortegrond en wordt op 11 dec. 1943 de nieuwe burgemeester van Tubbergen. Van hem is bekend dat hij zich vrij afzijdig houdt van de gemeentepolitiek en de dagelijkse gang van zaken overlaat aan gemeentesecretaris Van den Berg. Voor hem betekent het einde van de oorlog uiteraard ook het einde van zijn politieke carrière. Hij overlijdt op 31 aug. 1973 op 73- jarige leeftijd en wordt bijgezet in het familiegraf in Tubbergen. Wat overblijft is een herinnering aan de broers von Bönninghausen als burgemeester van Tubbergen in een bewogen tijd.
Het Meestershuis
In het gesprek met Harry Olde Loohuis (Mees-Harry) waarbij ook zijn zussen Marietje en Trees aanwezig zijn, komt telkens naar voren in welk een merkwaardige dubbelrol het gezin in de oorlog verkeerde.
Je kunt het je ook moeilijk voorstellen - een deel van je huis door de Duitsers gevorderd, terwijl ondertussen leden van de ondergrondse bij je over de vloer komen. Dat het gezin en in het bijzonder Harry zo'n vooraanstaande rol hebben gespeeld in het verzet, vindt zeker zijn oorsprong in het feit dat je als schoolmeester een centrale en leidinggevende funktie had in een kleine dorpsgemeenschap. Door die contakten kende je alle dorpsbewoners en je wist heel goed bij wie je kon aankloppen voor hulp bij het onderbrengen van onderduikers. Eigenlijk is het vanzelfsprekend dat je onder deze omstandigheden nauwe kontakten hebt met het verzet. Via een oom in Oldenzaal was er een netwerk van ontsnappingslijnen voor piloten en andere gezochtte mensen.
Een veelvuldig gebruikte route naar 'over de IJssel' liep via Reutum en Geesteren naar Schalkhaar, waar indertijd broer Fons Olde Loohuis kapelaan was. Vanzelfsprekend werden ook de zussen Trees, Marietje en Ida ingeschakeld wanneer er gekoerierd moest worden, of wanneer er een "Ausweiss" met nagemaakte stempels moest worden getypt. Iedereen droeg zijn steentje bij aan de illegaliteit, terwijl Luitenant Bahr boven in het voorhuis twee kamers 'bezette'. Een echte volgeling van Hitler die zonder protest bevelen uitvoerde. 's Avonds kwam hij ook geregeld bij de familie in de huiskamer en speelde hier verdienstelijk piano. Wij lieten hem heel toepasselijk vaderlands-liederen spelen als: "Wij willen Holland houden", wat hij wel interessant vond.
Voor het kontakt met zijn jongens in het St. Jozefgebouw was er een verbindingslijn, maar regelmatig kwam er ook een loopjongen (Bube), die voor zijn luitenant allerlei klusjes moest opknappen. Onvoorstelbaar dat Harry boven in zijn studeerkamer, naast de kamer van de luitenant de geallieerde zender beluisterde. Je deed indertijd dingen waarvan je achteraf denkt: waarom nam je risico's waarbij je je eigen leven en dat van anderen op het spel zette.
Onze Harry was niet bang uitgevallen, aldus Trees. Toen bij een razia alle fietsen waren gevorderd zonder dat hij daarvan wist, is hij hoogst persoonlijk zijn fiets weer uit Tubbergen wezen ophalen, met als argument dat hij niet zonder kon. Dit gebeurde trouwens op zondag 12 juli 1942 de dag dat 'onze Gerard' - G.A.M. Olde Loohuis, geb. 20/5/1916 - bij z'n priesterwijding de H. Mis deed hier in de parochiekerk; Harry kwam te laat in de kerk.... omdat hij eerst zijn fiets terug wilde.
Franse onderduikers in Haarle
Regelmatig kwam er via de ondergrondse contakten een verzoek om onderdak. Zo ook voor het onderbrengen van twee in Duitsland ontsnapte Franse krijgsgevangenen die in Oldenzaal waren beland. Terwijl Harry op zoek ging naar een geschikte schuilplaats, werden ze de eerste nacht verborgen in het PTT- transformatorhuisje aan de overkant van de straat.
Het niet beheersen van de Franse taal was bovendien nog een extra handicap, maar onderdak werd gevonden bij de familie Nijhuis (Essche-Gerrard) in Haarle, tegenwoordig Groothuisweg 11. Bij het onderbrengen van mensen ging je altijd heel zorgvuldig te werk. Je ging nooit over een nacht ijs, er moest een blindelings vertrouwen zijn. Ik kende Gerard Nijhuis goed, terwijl zijn vrouw Marie Nijhuis - Lammerink (afkomstig van De Rutger), jarenlang bij ons thuis dienstbode was geweest.

Vanwege de taalbariere was het zaak dat er zo weinig mogelijk kontakten naar buiten waren, bij een confrontatie immers zouden ze onmiddellijk door de mand vallen. Een voordeel was dat de boerderij nogal eenzaam was gelegen en dat je alle bezoek al van ver kon zien aankomen. Voor de Franse onderduikers werd een zgn. 'blind kamertje' ingericht; in een bestaande kamer werd een 'blinde muur' aangebracht en zo ontstond een apart vertrekje met ais enige toegang een te verwijderen achterkant van een kast. Overdag verbleven ze hier; wanneer er 's avonds verder niemand aanwezig was, kon er gelucht worden. Er waren zulke goede afspraken gemaakt, zo weten we nu, dat buren en zelfs eigen broers niet op de hoogte waren.

In het belang van de veiligheid van alle betrokkenen werd er niet over gesproken. Een keer heb ik een uitzondering gemaakt, verteld Harry Olde Loohuis. Pater Caspar Van de Berg, assistent van de inmiddels op leeftijd zijnde pastoor Lauteslager, heb ik een keer meegenomen naar het onderduikadres omdat hij dacht een redelijk woordje frans te kunnen spreken. Een angstig moment deed zich voor toen een van de Fransen ernstig ziek werd en een dokter zeer gewenst was. Om niet al te zeer op te vallen lag de keuze van de eigen huisarts voor de hand, maar deze liet het afweten omdat hij geen benzine voor z'n auto meer had... Uiteindelijk heeft Frans Deterink, een lid van de plaatselijke verzetsgroep, met zijn ervaringen als verpleger de Fransman van z'n abses af geholpen. De Fransen overleefden de oorlog en konden dankzij de inzet van mensen uit Reutum en Haarle naar hun vaderland terugkeren.
Paulien Strootman - Nijhuis vertelde me dat er naderhand uit Frankrijk nog wel eens een berichtje is geweest, maar uiteindelijk het contakt is verwaterd.
Verzet en illegaliteit
Bij de overval van de landwacht op de boerderij van de familie Evers (Paus) in Hezinghe op 6 okt. 1944 worden meerdere verzetsmensen gearresteerd. Zo wordt de Joodse familie Menco, die hier zat ondergedoken, overgebracht naar de marechause-kazerne in Ootmarsum. Van hieruit worden moeder Menco en dochter Stella op transport gezet naar een kamp in Duitsland en vader Menco met z'n drie zoons Simon, Salomon en Nico worden de volgende dag even voorbij boerderij Kroeze (Tidhof) aan de Ootmarsumsestraat vermoord. Bij de aktie in Hezinghe wordt ook politieagent Troelstra uit Oldenzaal opgepakt, waarvan bekend is dat hij een aktief verzetsman is. Hij wordt opgesloten in een bunker op vliegveld Twente. Op weg naar de vele verhoren door de `Sicherheidsdienst in Enschede weet hij echter in Lonneker zijn bewakers te overmeesteren en vlucht.

In Oldenzaal was hij natuurlijk niet meer veilig en daarom zocht hij contakt met de familie Olde Loohuis in Reutum, voor hem vanwege de ondergrondse aktiviteiten geen onbekend adres. Voor hem wordt een schuiladres gevonden bij Jan Timmers (Stouw-Jan), terwijl zijn vrouw met kind werden ondergebracht in Almelo bij Bendien. Voor een ontmoeting met haar man, heb ik haar eens uit Almelo opgehaald en ben met haar langs het kanaal Almelo-Nordhorn naar Reutum gefietst, aldus Harry.
Je had in Reutum en Haarle een groep mensen waarop je altijd een beroep kon doen; families die niet op de voorgrond wensten te treden, die altijd de deur open hadden staan. Een mooi voorbeeld is Klaas Bakker, een kleine zelfstandige schoen- en tuigenmaker, tegenwoordig Kleysen, Agelerweg 39. Net als in ieder ander dorp, waren er ook in Reutum en Haarle mensen die sympathie toonden met de bezetter. Als verzetsgroep moest je daar uiteraard rekening mee houden; je moest ze bij wijze van spreken niet voor de voeten lopen. Alhoewel we het gevoel hadden dat ze wisten dat we ons sterk maakten voor de illegaliteit, hebben ze ons nooit verraden. Ik had zelfs een collega-onderwijzer hier op de Mariaschool die zich openlijk manifesteerde als N.S.B.-er. Wij waren natuurlijk geen vrienden, en ofschoon hij heel goed wist wat ik deed, heeft hij er mij niet ingeluisd.
Toen hij heel erg ziek werd, heb ik hem op verzoek van mijn vader thuis opgezocht. Zijn vrouw heb ik meteen duidelijk gemaakt wat de reden was dat we niet eerder wat van ons hadden laten horen. Waarop zij onmiddelijk toevoegde dat we er niet op moesten rekenen dat zij en haar man `de partij' de rug zouden toe keren. Eenmaal terug op school hebben we hem wel tegengewerkt bij zijn poging middels een inspekteurs-cursus hogerop te komen in het onderwijs, en uiteraard was er na de oorlog geen plaats meer voor hem aan school.
Het einde nadert
De laatste oorlogswinter hebben meerdere inwoners van Reutum en Haarle op een andere manier de oorlog beleefd. Bij de aankomst van twee bussen met kleine evacues uit het westen van Nederland, kon met eigen ogen aanschouwen dat er inderdaad in de grote steden een tekort aan voedsel was geweest. Uitgehongerde kinderen werden op meerdere plaatsen in Twente in de plattelandsgezinnen opgenomen. Hier konden ze mee eten met de pot, een pot die in het westen van het land al langere tijd leeg was. Dat deze opvang bijzonder werd gewaardeerd blijkt wel uit het feit dat er ook na vijftig jaar nog nauwe vriendschapsbanden zijn met meerdere evacues uit de oorlogswinter.

Vijf en twintig, toen jonge mannen, uit ons dorp hebben een heel andere herinnering aan deze laatste oorlogswinter. Zij hebben van 15 dec. '44 tot 15 maart '45 drie maanden lang op 'min of meer vrijwillige' basis in de Noord-Oost polder gewerkt. Via de gemeente was immers het bericht gekomen dat uit alle dorpen een groep mannen zich moest melden om ingezet te worden als werkkracht in de polder. De oorspronkelijke arbeiders in de polder waren door de Duitsers van ondergrondse aktiviteiten beschuldigd en waren als vergelding 'afgevoerd' naar werkkampen in Duitsland. Op 14 dec. 1944 worden in cafe Mensink de jonge mannen opgeroepen zich uit solidariteit te melden, omdat anders een groep aangewezen zou worden, ongeacht of deze in het gezin of op boerderij gemist konden worden. Uit het verhaal van Jan Snijders over zijn ervaringen van deze drie maanden in de polder - Heemkunde Jaarboekje 1986/1987 - spreekt in het bijzonder de saamhorigheid in de groep. Wanneer op 15 maart 1945 de groep uit de polder met de fiets weer in Reutum arriveerd, is het duidelijk dat ze niet meer afgelost hoeven te worden - de algehele bevrijding zal niet lang op zich laten wachten.
Trees Olde Loohuis oorlogsnotities
Persoonlijke herinneringen aan de laatste oorlogswinter in het "meestershuis" van "het kleine meesterke", zoals mijn vader genoemd werd in Reutum. Aansluitend bij het verhaal dat mijn broer weergaf in het boek Tubbergen 1940-1945, door G. de Vries, speelde ik een klein bijrolletje in dat verzet.
Wij waren thuis - inclusief vader en moeder - met twee oudere zussen, een hulp in de huishouding en een kostschoolvriendinnetje van mij. Ook was er een evacueetje uit Utrecht en nog een neef die geregeld ondergedoken bij ons verbleef, hij werkte in het verzet in Oldenzaal.
Daarbij was er een kamer bezet door de Duitse luitenant. Toen deze bezetting plaats vond, moesten er geheime bergplaatsen georganiseerd worden om allerlei verboden spullen te verbergen. Deze Herr Bähr begreep bijv. totaal niet, dat wij zo goed op de hoogte waren van het laatste nieuws. De radio zat bijv. verborgen achter de kachelplaat van de schoorsteenmantel, waar hij vlak bij zat als hij 's avonds bij ons in de huiskamer zijn kopje koffie dronk.
Ik zat op de kostschool in Steenwijkerwold, 3e klas Mulo, maar ook deze school was bezet door de Duitsers. Met mijn kostschoolvriendinnetje, dat geen ouders meer had en eigenlijk bij een oom en tante verbleef, gingen wij lopend naar Fleringen waar in twee cafés de Mulo opleiding gegeven werd.
Thuis gebeurden er allerlei 'geheimzinnige' dingen, zoals valse Ausweisen maken en andere formulieren klaar maken, die dan weggebracht moesten worden naar de diverse onderduikers, die bij de boeren in de omgeving ondergebracht waren. Af en toe mocht ik ook deze boodschappen rondbrengen en dat moest dan in 't donker gebeuren. Ik was niet bang om alleen in de donkere avond te lopen en ik wist overal de weg.
De Franse onderduikers en mijnheer Troelstra (zoals in 't boek beschreven) kende ik ook en ik vond 't maar wat spannend om dit te doen. Dat dit zo gevaarlijk was, besefte ik totaal niet. Mijn drie jaar oudere zus die als apothekersassistente in Oldenzaal werkte, typte de Ausweisen met de typemachine, die in een bergplaats onder de vloer in de slaapkamer van mijn ouders verstopt was.
Twee keer in de week was er 's avonds spreekuur voor de boerenleenbank, die mijn vader opgericht had en zaten de mensen om de kachel in de keuken en alle laatste nieuwtjes werden daar uitgewisseld. Het was wel altijd oppassen geblazen, omdat dan ook Herr Bahr binnen kon komen. Hij was dan vergezeld van zijn zogenaamde "Bub", die hem met alles moest verzorgen.
De oorlogssituatie werd alsmaar spannender, naarmate de bevrijding dichterbij kwam. De Duitsers op terugtocht kwamen in april ons dorp meer en meer bezetten. Op 'n vroege morgen kreeg mijn vader om 8 uur 's morgens het bevel dat wij om twaalf uur het huis uit moesten zijn, omdat het in beslag genomen werd. Grote paniek dus; de buren hielpen ons zo veel mogelijk spullen uit het huis te halen en dat werd bij hen ondergebracht. Mijn ouders kregen onderdak bij mijn oudste broer, die met zijn gezin in het achterhuis woonde. Mijn twee zussen en ik met mijn vriendinnetje werden bij een oom en tante op de boerderij ondergebracht. Het evacueetje werd ook bij mijn broer ondergebracht.
Mijn broer ging naar Saasveld waar hij zijn ondergrondse werk kon voortzetten. De hele situatie werd hoe langer hoe spannender. Er kwam nog een nachtelijke razzia in het hele dorp waarbij achteraf bleek, dat zij op zoek waren naar mijn broer. Er was een jonge vluchteling, die bij zijn aanhouding in Geesteren onder dwang ons adres verraden had. Maar in ons huis was niemand meer, En de Duitsers die ons bij de inval in bed vonden, dachten uiteraard dat wij bij dat gezin thuishoorden.
Inmiddels kwam de bevrijding dichter bij. Begin mei, op een vroege morgen, kregen wij het bericht, dat de Duitsers uit het dorp, dus ook uit ons huis vertrokken. Toen wij thuis aankwamen en naar binnen konden, zagen wij een grote bende en rotzooi. Boven op de kamers lag bijv. allerlei dameskleding van de "Blitzmädle” die kennelijk de soldaten hadden moeten "amuseren". Het was allemaal chaotisch en verwarrend, maar met de hulp overnieuw van de buren werd zo goed en zo kwaad mogelijk het huis schoongemaakt en onze eigendommen werden weer teruggeplaatst.
De bevrijding was een feit en we waren uiteraard enorm opgelucht. Het gezinsleven kwam weer op gang. Twee oudere broers, waar we in geen maanden contact mee hadden, gaven een teken van leven. Het leven in vrijheid kwam weer op gang en wij konden dit gaan vieren in dankbaarheid: zij het op bescheiden wijze.