Terug

Peter Knudsen Herinneringen 1931 – 2009

 

 

 

Via Gerard en Ellie Lammerink (erve Vroonk) kreeg ik een fotoboek annex levensverhaal in handen, geschreven door Peter Knudsen. Peter Knudsen heeft al van jongs af aan aantekeningen en notities gemaakt over wat hij zoal meemaakte. Uiteindelijk heeft dat geresulteerd in een omvangrijk (foto)tekstboek van 149 bladzijden.

Peter Knudsen is geboren in Rotterdam in 1931. Hij was dus negen jaar oud toen de oorlog uitbrak. Peter Knudsen overleed op 2 april 2009. In de laatste jaren van zijn leven heeft Peter samen met zijn familie flink werk gemaakt om dit boek tot stand te brengen. Zelfs na zijn overlijden is er nog gewerkt aan dit boek, dat een indrukwekkend levensverhaal verteld.

Alhoewel het de moeite waard is om het hele boek te lezen zullen we in het kader van de Heemkunde Reutum alleen de verhalen plaatsen die betrekking hebben op Peter en zijn zus Rietje die een deel van de oorlog doorbrachten in Reutum. Na de bevrijding komt Peter met zijn zus Rietje op uitnodiging nog een keer naar Reutum, ook dit heeft hij mooi beschreven.

 

Fotoboek

 

Woord vooraf (verkorte versie)

Deze Herinneringen werden opgetekend door mijn man Peter in de laatste tien jaar van zijn leven. Hoewel hij reeds op jonge leeftijd allerlei notities maakte, vatte hij toch pas in 1999, toen hij grootvader werd, het plan op om die herinneringen te boek te stellen. Om die reden bezocht hij in de maand mei van dat jaar het gemeentearchief van zijn geboortestad Rotterdam met onze schoonzoon Fred. Aldaar hebben zij toen samen gegevens en oude foto's vergaard die van pas konden komen voor zijn boek. Daarna is hij zijn notities verder gaan uitwerken en vervolgens werden zijn handgeschreven teksten door mij uitgetypt op de computer.

Op Peters 76e verjaardag in 2007 boden onze dochter Jacqueline en haar man Fred hem aan om de redactie en de vormgeving van zijn boek te verzorgen. Het was immers de bedoeling de Herinneringen rijkelijk te voorzien van foto's en illustraties, zowel met eigen opnamen als met materiaal uit archieven en historische werken. Geen van ons kon toen vermoeden dat de realisatie hiervan zoveel jaren op zich zou laten wachten.

Na Peters overlijden op 2 april 2009 was het aanvankelijk mijn bedoeling de tekst uit te breiden met de onderwerpen waarover Peter zelf had willen schrijven. Alvorens dit woord vooraf te schrijven, heb ik Peters hele tekst opnieuw gelezen. Ik raakte daarbij wederom diep ontroerd. Want wat heeft Peter toch veel meegemaakt en hoe intens heeft hij zijn ervaringen beleefd.

 

Ria Knudsen-van Werkhoven.

 

Peter Knudsen

Ik ben geboren op 24 november 1931 in Rotterdam, vermoedelijk thuis in de Westewagenstraat 91A.

Peter Knudsen 1932

 

Mijn vader was destijds middenstander en had een sigarenzaak op nr. 15 in diezelfde straat. Deze Westewagenstraat was een smalle winkelstraat in het centrum van de stad, van gelijk niveau als de Hoogstraat.

Sigarenzakje

 

 

Het bombardement van 14 mei 1940 verwoestte vrijwel de gehele binnenstad en ook de Westewagenstraat veranderde toen in een puinhoop. Bij de wederopbouw van de stad verdween een groot aantal straten van dezelfde omvang en breedte. Men was van mening dat die niet meer pasten in de ruimere en op de toekomst gerichte moderne stad. Het is opmerkelijk  dat zowel de Westewagenstraat als de Hoogstraat wel weer werden opgebouwd op hun oorspronkelijke locatie en met dezelfde breedte. Nochtans kon helaas geen van de huizen in deze straten worden hersteld en de totale huidige bebouwing is dus nieuwbouw.

De Westewagenstraat loopt van de Hoogstraat naar het Haagseveer en dankt haar naam aan het feit dat men daar voorheen via de Delftse Poort langs de Rotterdamsche Schie westwaarts kon gaan in de richting van Delft en Den Haag. De Schie is in 1940-1941 gedempt met het puin van de binnenstad - de plannen voor de demping dateerden uit 1938-1939. Over het voormalige watergedeelte van de Schie rijden tegenwoordig de trams.

 

Demping van de Schie

 

 

Kinderuitzending1 zomer 1942 naar Reutum in Twente (fam. Lansink en fam. Stevelink, later ook fam. Lammerink.)

Evenals in 1941 vonden er in de zomer van 1942 Kinderuitzendingen plaats. Dat jaar ging ik, of beter gezegd gingen mijn zusje Rietje en ik, naar Twente.

In tegenstelling tot het voorgaande jaar was het reisdoel nu bewust door mijn ouders gekozen. Mijn zusje was namelijk in 1941 in Reutum geweest en had het daar bijzonder naar haar zin gehad. Reutum was (en is nog steeds) een plattelandsdorp en Rietje logeerde daar bij de familie Stevelink op een grote boerderij, dus dat was heel wat anders dan mijn logeeradressen in Arnhem en Velp. Omdat wij het leuk vonden deze keer samen naar eenzelfde plaats te gaan, viel de keuze op Reutum. Zo vertrokken wij samen met vele kinderen vanaf het Maasstation met de trein naar Almelo. Vandaar werden we met een bus naar Reutum gebracht, alwaar in het centrum, op het pleintje voor de rooms-katholieke kerk, alle aanstaande pleegouders stonden te wachten. Mijn zusje kende haar pleegmoeder reeds en zij omhelsden elkaar dan ook direct, terwijl ik nog even moest wachten op de aanwijzing bij wie van de daar aanwezige vrouwen ik mocht gaan logeren. Dat was Mien Lansink.

 

 

Ik nam daar afscheid van Rietje, na eerst een afspraak gemaakt te hebben waar en wanneer we elkaar weer zouden ontmoeten. Dat laatste was echt wel noodzakelijk, aangezien er immers nog weinig of geen telefoons waren in dat dorp en bovendien was de afstand tussen onze adressen aldaar circa 5 km.

 

 

Naar de fam. Lansink

Mien Lansink woonde bij sluis 5 aan het Kanaal van Almelo naar Nordhorn in Duitsland. Haar man Jan was daar de sluiswachter, die de dubbele sluis en de klapbrug moest bedienen. Hij had bovendien een timmerbedrijf, verbouwde rogge, aardappelen en groente, had een kippenhok met kippen, een weide met een koe en een boomgaard waarin pruimenbomen stonden. En, niet te vergeten, twee zoontjes: Gerard B.J. en Benny G.J.

Die pruimenbomen, die vond ik wel heel bijzonder. In Rotterdam moest je immers betalen voor pruimen. Ik ging dus direct van die pruimen uit de boom smullen. Mien waarschuwde mij dat ik van teveel pruimen ziek zou worden, maar Jan zei echter: ‘Laat maar gaan, dan is hij er gelijk van genezen en laat hij onze pruimen wel hangen.

Jan had tijdens de eerste oorlogsdagen in mei 1940 op de Grebbeberg gevochten. Hij vertelde mij dat hij Rotterdammers niet mocht en de reden daarvoor was de minder prettige ervaring die hij daar blijkbaar met hen had opgedaan. Desalniettemin kon hij met mij goed overweg - ik mocht zelfs bij hem op de motorfiets! Ook hielp ik hem bij de sluis en brug, die met de hand bediend moesten worden. Als tienjarige jongen voelde ik dat Jan mijn vriend was. In hun woning ontbraken alle voorzieningen die wij thuis in Rotterdam wel kenden. Er was hier géén waterleiding, riool, gas of elektriciteit. Wél was er een waterput met pomp en er werd gekookt op een met kolen gestookt fornuis. Wanneer ik mijn zusje een bezoek bracht, deed ik dat te voet, ca. 1 uur lopen.

Terug liep Rietje halverwege met mij mee en bij de kerk namen we dan afscheid. Andersom werd dezelfde procedure door ons gevoerd. Wij waren niet bang om alleen in een stille omgeving te lopen, doch wel voor onweer op het platteland. Ik was eens een keer met Rietje bij de buurman2 van de Stevelinks, waar ook een meisje uit Rotterdam logeerde en waar zij wel meer mee speelde. Dat was weer ca. 1000 meter verderop.

Deze boer was tevens imker en ik mocht met hem naar de bijenkorven. Toen wij daar achter langs liepen, waarschuwde hij mij nog om vooral rustig te zijn en geen wilde bewegingen met mijn armen te maken. Ik liep daar met een stalen kogel (bal) van ca. 8 cm. doorsnede in mijn hand en deze liet ik daar per ongeluk vallen, precies op de plank waarop de korven stonden. Dat was schrikken! De bijen vielen ons direct aan. De imker boos! Gelukkig had hij een middeltje bij de hand voor die bijensteken en kon hij ons gelijk helpen en liep dit avontuur toch nog met een sisser af.

Op zekere dag werd er langs de weg een boortoren gebouwd en ging men daar naar olie zoeken. Het Duitse leger had benzine nodig. Dit had tot gevolg dat er ten huize van de Lansinks verplicht een Duitse soldaat werd ingekwartierd. Ik kende Jans verhaal over de Grebbeberg, maar toch ontstonden er geen problemen. Jan zei eenvoudig tegen hem: ‘Ik had jou hier liever niet gezien, maar jij kan er ook niets aan doen. Die Duitser was een vriendelijke man, die mij distributiebonnen gaf voor levensmiddelen voor mijn ouders in Rotterdam.

 

Ziekenhuis Oldenzaal

Nadat ik enige tijd in Reutum was, werd ik ziek. De huisarts werd voor mij geroepen en diens advies was dat ik in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Zo belandde ik dus op de kinderafdeling van het ziekenhuis van Oldenzaal. Mijn medepatiéntjes vonden het kennelijk zo zielig voor mij dat ik uit Rotterdam kwam en zelfs geen familie in de buurt had, dat zij spontaan iets van hun eigen speelgoed aan mij gaven. Echter, middenin de eerste nacht werd ik daar plotseling met bed en al weggereden. Tegelijk met mij werd ook al dat speelgoed en mijn overige spullen van die zaal afgevoerd. Ik kwam toen te liggen op een speciale afdeling voor patiénten met besmettelijke ziekten in een vrijstaand gebouw van dat zelfde ziekenhuis. Men had roodvonk bij mij vastgesteld, toentertijd een ernstige ziekte die zes weken duurde. In die periode verwisselde ik van huid. Die viel als vellen van mij af.

 

Oldenzaal ziekenhuis.

 

Gedurende deze zes weken lag ik daar in mijn eentje op een kamer. In andere kamers lagen veel patiéntjes met difterie. Die zag ik bewusteloos binnen gebracht worden en het is menigmaal gebeurd dat de zuster tegen mij zel, wanneer zij 's morgens mijn ontbijt bracht: ‘Dat kindje, dat hier gisteravond werd binnen gebracht, is vannacht een engeltje geworden. Bid er maar voor’. 

Let wel: ik was toen 10 jaar en vanwege mijn leeftijd adviseerde de leiding van die barak mijn ouders om niet op bezoek te komen. Het bezoek (alléén volwassenen!) mocht dat gebouw niet binnen maar moest buiten in de tuin voor de gesloten ramen blijven staan. Mijn zusje van 8 jaar en toen in Twente dus mijn enige familielid, kreeg tweemaal toestemming mij te bezoeken, maar ik was ook erg blij als mijn pleegouders bij mij op bezoek kwamen.

 

Originele brief van Peter's vader aan fam. Lansink.

 

 

Mijn verblijf in die barak, in mijn eentje in een kamer die rook (beter gezegd: stonk) naar de ontsmettende stof lysol, vond ik op zijn zachtst gezegd niet leuk. Bijzonder vreemd heb ik ook mijn vertrek daar ervaren: Ik ging een kleedkamer in en moest mij daar geheel ontkleden. Daarna een volgende kamer in, waarin een bad stond, waarin ik me met speciale zeep moest wassen. Tenslotte een derde kamer in, waar mijn kleding voor mij gereed lag, door Jan Lansink meegebracht. Nadat ik mij aangekleed had stapte ik via deze quasi tunnel naar buiten. Een weg terug was er niet!

Ik ging opnieuw naar de familie Lansink. De Rotterdamse kinderen waren inmiddels weer naar huis. Mijn zusje was niet met hen meegegaan, maar was bij haar pleegouders, de familie Stevelink, gebleven. Men was in Reutum van mening dat ik na mijn verblijf in het ziekenhuis eerst wat moest aansterken en ik mocht daar dus nog enige tijd blijven. Rietje en ik moesten echter wel naar school, zelfs in Reutum en aldus geschiedde! Mijn vader heeft ons zelfs een keer in Reutum bezocht.

Onverwachts kwam Mien Lansink op een dag met het voorstel dat ik kon gaan logeren op een grote boerderij, die bovendien meer in de buurt stond van het boerenbedrijf van de Stevelinks, waar mijn zusje logeerde. Ik vond dat een leuk idee, maar naderhand heb ik pas begrepen dat er een andere reden voor was. Dat was toen het derde kind van Jan en Mien werd geboren, hun dochter Ria. In die tijd wist je als jongen van tien jaar nog niet waar de kinderen vandaan kwamen!

 

zomer 1941Mien Lansink met haar zoontjes Gerard en Bennie.

 

Frappant detail is dat ik deze Ria-geboren-Lansink pas voor het eerst ontmoet heb in Ootmarsum in september 1999, hoewel ik in de loop der Jaren meermalen bij de Lansinks langs was geweest. Toen mijn vrouw Ria en ik daar een middag op visite waren, kwam zij speciaal even langs omdat zij van haar ouders gehoord had van ons bezoek. Zij was namelijk nieuwsgierig naar dat jongetje uit Rotterdam, dat voor haar geboorte bij haar ouders gelogeerd had. Haar oudere broers hadden haar namelijk veel over mij verteld. Dat jongetje was nu een man van bijna 68 jaar! De Lansinks hebben na Ria nog tien kinderen gekregen. Vader Jan stierf op 87-jarige leeftijd op 21 april 2000. Moeder Mien overleed op 20 mel 2005, 89 jaar oud.

 

Naar de fam. Lammerink

 

Op die grote boerderij dus, mijn volgende adres in Reutum, woonden mijn nieuwe pleegouders, de familie Lammerink. Dat was een jong echtpaar met een klein kindje, dat nog maar net lopen kon. Ook woonden op die boerderij nog de ouders van de boer, alsmede zijn jongere broer en zus. Het was dus een groot boerenbedrijf met veel koeien, een dekstier, vier paarden, veel varkens, konijnen en kippen. Daarbij had die boer veel landbouwgrond met rogge en aardappelen.

 

Bij het voorhuis van de boerderij was een mooie tuin, omzoomd door een heg en er liep een kiezelpad door, zoals normaal in die tijd en er stonden hoge bomen. Voor die tuin lag een moestuin. Verscheidene keren heb ik in die tuin bladeren bijeen geharkt. Tegen het huis stonden twee banken. Met de vader van de boer heb ik dikwijls na schooltijd op zo’n bankje gezeten. Wanneer ik het lied Het Dorp met Het tuinpad van mijn vader hoor van Wim Sonneveld, moet ik altijd aan de boerderij van Lammerink denken. Bij mijn bezoek aan Lammerink in mei 1986 bleek de tuin echter verdwenen en het voorhuis vernieuwd te zijn. Ik heb in 1942 daar bij de Lammerinks voor het eerst boerenarbeid verricht, zoals aardappels rooien tijdens de oogst/herfstvakantie. Voor de dieren zorgen mocht ik daar nog niet, ik was nog te klein, maar heb er wél de konijnen gevoerd en eieren geraapt. Mijn moeder heeft mij daar ook een paar keer bezocht. Zij kwam per trein naar Almelo en ging met de bus naar Vasse. Wij haalden haar daar op en met een witte huifkar gingen we dan naar Reutum.

 

Ik herinner mij dat ik op een dag met mijn moeder en zusje ben gaan wandelen naar de oriénteertafel op de Kuiperberg in Ootmarsum. Het zal ongeveer in november geweest zijn dat ik weer naar huis verlangde. Mijn moeder heeft mij toen in Reutum opgehaald, maar Rietje wilde daar nog graag even blijven en ging niet mee naar huis. Zij kwam pas drie jaar later terug. Dat was in de zomer van 1945!

 

Boerderij fam. Lammerink. Een deel ervan is nu nog te zien de rest is verbouwd.

 

 

 

Zomer 1945 en Boerenbruiloft in Reutum

De thuiskomst van mijn zusje Rietje herinner ik mij niet. Waarschijnlijk is ze gearriveerd op zo maar een dag midden in de week en ze was er ineens weer toen ik een keer uit school kwam. Het was wel vreemd, want ze was drie jaar weg geweest en sinds november 1942 had ik haar niet meer gezien. Zij was 8 jaar toen we samen in de zomer van 1942 naar Reutum gingen en nu was zij bijna 12! Het maakte voor ons allemaal een heel verschil haar weer in huis te hebben, maar vooral voor mij, want ik was de laatste jaren juist veel met mijn broertje opgetrokken. Van grote betekenis was ook dat Rietje daar ginds in het betrekkelijk rustige Twente onze ontberingen in Rotterdam niet had meegemaakt. Zij kende slechts enkele bijzonderheden uit de berichtgeving daarover. Feitelijk ligt hierin de oorzaak dat de band met haar sindsdien altijd minder hecht was dan die met Jacques, hoewel ik toch vroeger heel goed met haar kon spelen. Ook in Reutum, in de zomer van 1942, zochten we elkaar regelmatig op.

 

 

Ergens in de nazomer van 1945 werden mijn zusje en ik beiden uitgenodigd voor de bruiloft van een van de dochters3 van de familie Stevelink, Rietjes pleegouders, in Reutum. Het treinverkeer was toen nog zeer beperkt, want de spoorwegen waren immers tijdens de oorlog over een lengte van honderden kilometers vernield en het herstel kwam slechts heel langzaam op gang. Ook het door de Duitsers ontvreemde materieel was nog niet terug in Nederland.

 

Mijn vader had echter voor ons een ander soort vervoer geregeld. Doch eerst moesten we daarvoor met zijn drieén ongeveer anderhalf uur lopen van Delfshaven naar Bergschenhoek. Daarvandaan vertrok een vrachtwagen naar Almelo in Twente, waar wij met mee mochten rijden. Bij de vrachtwagen namen wij afscheid van onze pa, die weer te voet dezelfde afstand terugging. Deze reis zelf was veel comfortabeler dan mijn reis naar Friesland in de maand januari. We zaten nu echt prima in de cabine van de auto. Ik vond het bovendien ook wel bijzonder, zo alleen met mijn zusje op reis te zijn. Dit was reeds de tweede keer, de eerste was die met een grote groep kinderen en begeleiding per trein in augustus 1942, ook naar Twente.

 

In Reutum werden wij hartelijk ontvangen op de versierde boerderij, waarvan de deel was omgetoverd tot een grote feestzaal. In een optocht van huifkarren reden we naar de kerk, die helemaal vol mensen zat. Na de huwelijksmis maakten we een tocht door het dorp met allemaal zingende mensen langs de weg. Hierna begon een groot feest op de deel. Ik had trouwens in 1942 daar in het dorp reeds zo’n dorpsfeest meegemaakt. Eveneens met huifkarren, maar dat feest was toen ter gelegenheid van de eerste heilige mis van een pas gewijde priester4.

 

Bruiloftsgasten in versierde huifkarren in Twente

 

Rietje en ik mochten nog een paar weken in Reutum blijven logeren. We hebben in die tijd samen enkele bezoekjes gebracht aan de families Lansink en Lammerink en aan de lagere school, waar wij beiden op hadden gezeten. Na ongeveer twee weken gingen we weer terug naar Rotterdam, deze keer met de trein. Dat was heel bijzonder, omdat dit nu al wel mogelijk was en ook de manier waarop. Van Almelo naar Utrecht reisden we in goederenwagons, waar iedereen in moest staan. De deuren werden buiten door personeel van de N.S. dichtgeschoven en ook werd de haak er daar door hen op gedaan. Eigenlijk heel gevaarlijk dus, achteraf gezien.

 

In een goederentrein van dit type reisden we van Almelo naar Utrecht.

 

Vanaf Utrecht ging de reis naar Rotterdam in een ouderwetse personentrein met houten banken en waarvan elke coupe een eigen in/uitgangsdeur had. Onze trein was overvol en de kinderen moesten hierin staande reizen. In Rotterdam kwamen we aan op het Maasstation, waar vandaan we naar huis zijn gaan lopen. Ik moest echter wel de weg vragen, maar nadat we eenmaal het centrum van de stad bereikt hadden, wist ik verder wel weer hoe we thuis konden komen.

 

Het Maasstation te Rotterdam, het eindstation van onze reis uit Twente.

 

Peter Knudsen

 

 

1. Kinderuitzending aanvullende informatie

2. Ben Lammerink:  Ik kan er nog aan toevoegen dat Sientje destijds bij 'ons als buurmeisje kwam, want bij ons waren ook twee "Rotterdammetjes": Annie en Piet de Vree. En het punt van "imker" klopt ook, want mijn grootoom had bijen.

3. Ria Schuurman-Snijders: Rietje verbleef bij fam. Stevelink aan de F.J. Groothuisweg, de bruiloft was 17 augustus 1945 en Gesina Geertruida Josephina Stevelink is getrouwd met Hendrikus Johannes Meijer.

4. Ria Schuurman-Snijders: Het gaat hier om Gerardus Hendrikus Snijders (kloosternaam Lubuinus)

 

 

 

Afsluitend

Alle verhalen die ik de afgelopen jaren heb mogen aanhoren zijn bijzonder en authentiek. Extra mooi zijn de onverwachte verhalen uit het verleden, die zoals in dit geval, opduiken in de vorm van een boek. Een boek dat Gerard en Elly Lammerink na het overlijden van Peter Knudsen toegestuurd kregen via de post. Wat een gebaar! Wat een warme blijk van dankbaarheid van Peter en Rietje naar de Reutumse families.

Jan Bunte